Wieberen: Babi pangang

Aan het einde van een lange dag sightseeing in Londen loodste de buschauffeur het Nederlandse reisgezelschap – naast mijn ouders, broer en ikzelf bestond dat vooral uit zestigers – een op het eerste oog wat groezelig pand binnen.

Wieberen Elverdink.

Wieberen Elverdink.

Een smalle trap voerde ons naar een onvermoed benedenzaaltje, met gedekte tafeltjes en een iele meneer met een ingebeitelde glimlach. Ik vroeg mij af of hij misschien Mister Wu was, de naam die op de gevel prijkte.

Ik was de buschauffeur dankbaar. Na Buckingham Palace, de Big Ben, de Houses of Parliament en Covent Garden was ik – een puber nog en eigenlijk continu hongerig – hard toe aan een partij bunkeren en weinig gerechten bunkerden lekkerder weg dan chinees.

Babi pangang, bring it maar on , Mister Wu!

Dat deed Mister Wu niet. Geen babi pangang, althans. Het personeel serveerde schalen vol met kleuren, vormen en smaken die ik niet kende uit combinatiemenu B van Kota Radja, maar die zeker net zo lekker waren.

In die Londense eetkelder leerde ik, plattelandstiener met een internationaal-culinair blikveld dat niet veel verder reikte dan macaroni op dinsdag, een wijze les.

Niets zo Hollands als babi pangang.

Kort geleden haalde een nieuwe stichting het landelijke nieuws, de Stichting Meer Dan Babi Pangang. Die ijvert ervoor om het gerecht van gefrituurd varkensvlees op een bedje van atjar en overgoten met zoetzure saus op de lijst van Nederlands immaterieel cultureel erfgoed te krijgen.

Dat is nodig, vinden de initiatiefnemers, nu het aantal Chinees-Indische restaurants keldert en daarmee ook de toekomst van de babi pangang op de helling staat.

'Met een saus van sociaal-cultureel ongemak'

Maar de missie van de stichting voert verder, dieper. Babi pangang is voor de drie bestuursleden, allen met Aziatische wortels, allesbehalve een troetelgerecht, zo vertelde één van hen onlangs in RTL Late Night. Het ligt in de bedoeling van de stichting om ook dát verhaal te vertellen.

Voor Julie Ng, een documentairemaakster wier vader een Chinees-Indisch restaurant bestiert, stond het speciaal voor de Nederlandse markt ontwikkelde gerecht symbool voor ,,mijn anders zijn’’. Kinderen dreven de spot met haar komaf, riepen ,,Hanky panky Shanghai’’ of ,,Poepchinees’’ en de jonge Ng kreeg een afkeer van de zogenaamd oriëntaalse specialiteit, die een karikatuur van de cultuur van haar ouders had gemaakt.

Pas toen ze ouder werd, zo legde ze uit aan tafel bij Twan Huys, ontstond bij haar een herwaardering van de babi pangang. Want waren die bakjes met roodoranje substantie immers niet een goudmijntje voor het gezin van haar ouders en van veel meer horecahuishoudens in de Chinees-Nederlandse gemeenschap?

Ng: ,,Ik kreeg respect voor dat gerecht.’’

Ik ook, Julie Ng, ik ook.

Ik had nog nooit nagedacht over de pijn, het wrange dubbelgevoel dat de koks aan de andere kant van het luikje misschien voelen als ze weer een afhaalmenu doorgeven aan de kassa.

Zoals ik als puber geen weet had van het volslagen on-internationale karakter van babi pangang, zo kon ik tot voor kort niet bevroeden dat het fenomeen babi pangang in feite schuilgaat onder een saus van sociaal-cultureel ongemak.

Dat verdient het niet om te worden vergeten.

Op de erfgoedlijst ermee. En snel.

wieberen.elverdink@lc.nl
Twitter: @WElverdink

ROOT { "typename": "HTMLLink", "type": "a", "href": "", "__typename": "HTMLLink", "children": [] }
Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column