Het halve IJsselmeer naar de gallemiezen!

Als u en ik ruzie krijgen, zult u snel merken dat ik geen weerwoord heb. Ik haal mijn schouders op en vertrek, waarschijnlijk niet eens met slaande deur. Pas later, soms ook ’s nachts, weet ik wat ik had moeten zeggen. Dan bedenk ik het Ultieme Argument. Dan weet ik ook zeker dat ik tot Het Uiterste was gegaan om mijn gelijk te halen.

Kirsten van Santen.

Kirsten van Santen. FOTO ANNET EVELEENS

Vorige week reed ik over de Afsluitdijk, op weg naar Volendam om een nieuw wetsuit voor het open water zwemmen te kopen. Ik was vrolijk, voelde me luchtig, de koffie was goed, Ryan Adams zong, ik begroette de dijk bij Harlingen en zag de zilveren vlakte van het IJsselmeer fonkelen. Geen vuiltje aan de lucht, geen innerlijk conflict, er broeide even helemaal niets aan het oppervlak. Vrijheid. Onbezorgdheid. Ruimte.

De Afsluitdijk lag voor me. Het IJsselmeer ongerept, wachtend op het voorjaar. Wat ik toen zag, sloeg in als een bom.

Ik ben gestopt en heb foto’s gemaakt, appte naar vrienden, twitterde pissig en voegde er verontwaardigde teksten aan toe. Die windmolens! Daar! In het water! Heel VEEL! Heel lelijk! Het halve IJsselmeer naar de gallemiezen!

Ik wist dat ik weer eens te laat was geweest

Ik wist dat ik weer eens te laat was geweest. De tijd van bezwaar maken, van actie voeren, van mezelf vastketenen aan, aan… iets was voorbij. Boot gemist.

De onderste stukken van de molens, het onderstel, de basis, geel en plomp, waren al neergepoot. Nog even en de maaiende wieken van de 89 molens van Windpark Fryslân zouden er ook zijn, het sonore gebrom, ook onder water. Arme vissen.

Daar stonden ze, rij aan rij, en vulden de eens zo schitterende leegte. Ik moest denken aan het boek van de Britse docent environmental literature Ben Smith. In zijn dystopische roman Doggerland schrijft hij: ‘De velden strekten zich voor hem uit - rij na rij windmolens, als vreemd gewas.’

In de roman trachten een oude man en een jongen te overleven in een immens vervallen windmolenpark in de Noordzee. In het boek is de menselijke beschaving min of meer verdwenen. Met de moed der wanhoop trachten de man en de jongen de oude, roestige molens in stand te houden. Techniek als laatste houvast, een heilloze zaak.

Zie je wel dat kunstenaars zieners zijn, dacht ik, toen ik mismoedig en vol zelfverwijt de auto in stapte. Zo’n Ben Smith, kijk, die voorvoelde het al. Straks staat al het water hier vol molens. De natuur als industriegebied. Leegte wordt beschouwd als zinloos terrein, klaar om door mensen gevuld te worden met lelijke nuttigheid.

Ben Smith maakt deel uit van het CrossCurrents-project, lees ik thuis. Dat is een initiatief waarbij schrijvers en zeebiologen ‘bij elkaar worden gebracht om bewustzijn voor de natuur beter onder de aandacht te brengen’. Hadden wij ook maar zoiets.

Het slotgedeelte van de roman klinkt gelukkig een beetje hoopvol, al is het wel voor de heel, heel verre toekomst. Het water is geduldig, schrijft Smith. ‘Het vindt een weg door scheurtjes, langs klinknagels. Het schraapt metaal weg, millimeter voor millimeter. Het doet verf afbladderen en laat rubberen afdichtingen verkruimelen. Het vindt nieuwe manieren om dingen in bloei te zetten.’

Water, tijd, doe jullie werk, hier, op het IJsselmeer. Laat de windmolens maar bloeien tot bloemen van roest.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column