Zomaar een droevig verhaal tussen de aardbeien

Loom en langgerekt zuchten tientallen Akkers van Overvloed onder een meedogenloze zon.

Wieberen Elverdink.

Wieberen Elverdink.

Het is voor het eerst in jaren dat ik weer op ‘pake syn tún’ ben, het volkstuincomplex waar mijn enig overgebleven grootouder decennialang een eigen hoek had, meteen na de bocht, tweede strook van rechts, een onvermoede oase aan de lijzijde van één van de drukste wegen van de provincie.

Als kind kwamen we hier geregeld. Dan zagen we hem schoffelen, aan het eind van een lang, uitgesleten pad, tussen bedden vol wortel, kool en woudboon. Geitenwollen sokken in leren klompen. Bruine boswachtershoed. Je kon ‘m tot op een meter naderen zonder dat hij je zag, opgeslokt door de zorg voor zijn gewassen.

Jaren geleden deed pake de tuin over aan iemand anders, hij was al lang 80 geweest, het onderhoud van de moeshof had hem z’n heup gekost.

Daarmee kwam ook een eind aan onze bezoekjes aan het tuintjescomplex. Maar toen ik er daarnet langsfietste, werd mijn stuur door onzichtbare krachten richting de ingang gezogen.

Een mooie wetenschap: tuinders komen en gaan, maar hun spullen rouleren nog jarenlang onder hun medewroeters

Een paar stroken verderop buigt een tuinder zich met ontbloot bovenlijf over een bed aardbeien, dat gul vrucht geeft. De zeventiger zweet uitbundig. Zijn brede, gespierde schouders, nu bedekt met een donzig laagje ouderdomszilver, getuigen van een lang, fysiek inspannend arbeidsverleden.

,,Âlde Elverdink?’’, vraagt hij, zonder op te kijken ,,Ja, dy kin ik noch wol.’’ Hij draait zich naar me toe en reikt me een zomerkoninkje aan. ,,Hoe is it mei jim pake? Libbet hy noch?’’

Ik vertel hem dat pake er nog is, maar toch ook weer niet, dat zijn gedachten en herinneringen steeds verder verwaaid raken door de tijd.

De túnker glimlacht. ,,Freegje him mar at hy noch wit wa’t Sybe is. Ik ha noch wat fan him.’’

Toen pake zijn tuin opzegde, bleek hij een oud, houten schilderstrappetje aan diens buurman op het complex geschonken te hebben. Op zijn beurt deed die dat kort voor diens dood weer over aan Sybe. Een mooie wetenschap: tuinders komen en gaan, maar hun spullen rouleren nog jarenlang onder hun medewroeters.

Sybe gaat verder met het vullen van zijn bak aardbeien, er valt haast niet tegen te plukken. De planten zijn topzwaar van alle voortbrengselen en hetzelfde geldt in mindere mate voor de tuinder zelf, die tevreden over zijn volle buik wrijft.

,,Ik yt der goed fan, sjochst wol? Dit bakje giet jûn hielendal op. Troch de pudding. Mar ik jou ek gauris wat fuort, hear.’’ Dan, ernstig ineens: ,,Ik bin mar allinnich, no?’’

Zomaar een droevig verhaal tussen de aardbeien. Ze kreeg borstkanker. Iets genetisch, waarschijnlijk. Haar moeder had het ook. Het verdriet was onmetelijk, maar het gaat nu goed met hem. Hij heeft de tuin. En de vogelwacht. ,,En ik mei graach snoekbearzje.’’

Inderdaad, nu is de oogst veel te groot voor wat hij op kan, een man alleen. Maar de tuin opgeven? ,,Ik moat der net oan tinke. Ik hie al in tún doe’t ik santjin wie.’’

Sybe deelt nog een zomerkoninkje uit en neemt er zelf ook eentje. Zo kauwen we een tijdje zwijgzaam op de bitterzoete gedachte dat de natuur soms zo veel neemt, maar hier op de volkstuinen toch altijd nét iets meer geeft.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column