Van onderaf werk maken van de landbouwtransitie

'Boeren werken al vaak samen met natuurorganisaties.' FOTO MARCEL J. DE JONG Foto: Marcel Jurian de Jong

Geef boeren meer vrijheid om maatwerk te treffen bij de aanpak van problemen in de landbouw. Deel 2 van een tweeluik over het fenomeen ‘collectieve zelfregulering’.

Boeren krijgen steeds meer te maken met maatregelen die aantasting van het milieu, de biodiversiteit en het landschap moeten voorkomen. Beperking van de uitstoot van stikstof en van broeikasgassen, bescherming van de weidevogels en insecten, beperking van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, bescherming van karakteristieke landschapselementen en beperking van de diepontwatering zijn enkele van de lange reeks van maatregelen die de boeren de laatste tijd op zich af hebben zien komen.

Deze maatregelen zijn stappen in het beleid van minister Schouten van Landbouw, Natuur en Volksgezondheid (LNV), op weg naar een natuur-inclusieve kringlooplandbouw waarbij schade aan milieu, natuur en landschap zoveel mogelijk beperkt wordt.

Ook een groot deel van de samenleving en steeds meer boeren zijn zich bewust van de nadelige effecten van de intensieve landbouw. Waar boeren vooral tegen te hoop lopen zijn de van bovenaf opgelegde maatregelen, die hoge kosten met zich meebrengen en waarvan zij de effectiviteit en efficiëntie betwijfelen.

Zo bleek in het stikstofdossier dat de door LNV voorgestelde maatregel om de stikstofuitstoot van melkvee terug te dringen door het gehalte eiwit in krachtvoer te beperken, de gezondheid van het vee aantast. Ook hebben boeren bezwaar tegen het feit dat de maatregelen generiek zijn en onvoldoende rekening houden met de specifieke kenmerken van hun bedrijf.

Maximale vrijheid

Door dergelijke missers neemt de weerstand tegen het landbouwbeleid van de overheid alleen maar toe, terwijl er juist medewerking van de boeren nodig is voor het maken van de omslag.

Een alternatief voor het van bovenaf gedicteerde landbouwbeleid is collectieve zelfregulering van onderaf. Kern van dit model, geïnspireerd door het werk van Ostrom (zie eerste deel, in de krant van vrijdag) is dat de overheid per regio doelstellingen formuleert, de aanpassingen financiert en er op toeziet dat de doelstellingen gehaald worden, maar dat de invulling en uitvoering van de maatregelen wordt overgelaten aan agrarische collectieven.

Zo wordt boeren maximale vrijheid geboden om de doelstellingen naar eigen inzicht te realiseren. Hierbij ligt het voor de hand om samenwerking te zoeken met landschaps- en natuurorganisaties, toeleveranciers van grondstoffen, verwerkers van de landbouwproducten, voorlichters, banken en supermarkten.

De vaststelling van de doelstellingen kan echter niet aan de sector worden overgelaten, maar valt onder de verantwoordelijkheid van de overheid, als hoeder van het algemeen belang die alle maatschappelijke belangen tegen elkaar afweegt.

Regionale verschillen

In het geval van de stikstofproblematiek betekent collectieve zelfregulering dat de provincies, uitgaande van de door de nationale overheid vastgestelde normen, de maximale uitstoot per regio vaststellen, de vergoedingen regelen en erop toezien dat de doelstellingen gerealiseerd worden. De boeren kunnen naar eigen inzicht de uitvoering vormgeven op basis van de specifieke kenmerken van hun bedrijf. Zo kan de ene boer kiezen voor extensivering, een andere voor technische aanpassingen en een derde voor bedrijfsbeëindiging.

Het collectieve zelfreguleringsmodel leent zich uitstekend voor het integraal aanpakken van de milieu- en landschapsproblemen, zoals de reductie van de uitstoot van CO2, de herinrichting van het veenweidegebied en de bevordering van de biodiversiteit. Een groot voordeel ervan is ook dat het ruimte biedt voor regionale verschillen, bijvoorbeeld naar gelang van grondsoort, bodemgebruik en de omgeving.

Een essentiële vraag is of boeren bereid en in staat zijn om mee te werken aan collectieve zelfregulering. Positief in dit verband is dat Nederlandse boeren al goed georganiseerd zijn in lokale en nationale netwerken, in staat zijn gebleken om ad hoc samenwerkingsverbanden op te zetten en al vaak samenwerken met natuurorganisaties.

De administratieve kosten van zelfregulering worden door de overheid gedragen. Tevens financiert de overheid de aanpassingen van de bedrijfsvoering. Het model is verder aantrekkelijk omdat boeren waardering zullen oogsten voor hun natuur- en landschapsdiensten ten behoeve van het algemeen belang, die bovendien tot nieuwe dynamiek en inkomsten kunnen leiden.

Stokken achter de deur

Er zijn ook stokken achter de deur. Indien een boer weigert mee te werken komt hij of zij niet in aanmerking voor de vergoedingen van het collectief. Een tweede stok is groepscontrole. Individuele boeren die weigeren samen te werken, kunnen door hun collega’s onder druk worden gezet om zich coöperatief op te stellen. Ook is er de dreiging van overheidsingrijpen met gedetailleerde regelgeving van bovenaf wanneer een collectief er niet in slaagt om tot samenwerking en zelfregulering te komen.

De aanpak van problemen in de landbouw door maatregelen van bovenaf is tot nu toe op veel weerstand gestuit. Overdracht van verantwoordelijkheden en uitvoering naar agrarische collectieven kan de weerstand verminderen, doordat boeren de ruimte krijgen om hun kennis en ervaring in te zetten voor een transitie naar een duurzame landbouw met een goed verdienmodel en bij te dragen aan de ontwikkeling van een aantrekkelijk platteland.

Dit is het tweede deel van een tweeluik. Lees hier het eerste deel dat vrijdag verscheen.

Jeltsje van der Meer-Kooistra is hoogleraar financieel management aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Eelke Folmer is ecologisch onderzoeker voor Ecospace en Aeria.
Henk Folmer is hoogleraar ruimtelijke economie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Opinie
Agrarisch / Landbouw