Slaapstand

,,Beste donateur’’, begon de mail. ,,Hierbij sturen wij u een brief om u op de hoogte te stellen van onze situatie.’’

Wieberen Elverdink.

Wieberen Elverdink. FOTO MARCEL J. DE JONG

Oef, ik zette me schrap. Als iemand ‘onze situatie’ schreef, dan beloofde dat weinig goeds. En het was inderdaad niet vrolijk, wat ik verderop las, in die mail van de muziekvereniging. Het blaasorkest waar ik een jaar of vijftien als slagwerker deel van uitmaakte.

In een epistel aan de achterban zette het bestuur de ,,moeilijke tijd’’ uiteen waarin de brassband nu verkeert. Al maanden kunnen de muzikanten niet samenkomen. Niet om te repeteren, laat staan om optredens te verzorgen. Concoursen, koffieconcertjes, kerkdiensten: alles ligt voor onbepaalde tijd stil. Een knagende, pijnlijke, lastig verteerbare stilte.

Wat is een trombonist in zijn uppie? Wat moet de kornetspeler met zijn eenzame noten aan? Wat bezielt nog een paukenist als zijn slagen echoën in een leeg vertrek?

Wat blijft er over van een orkest dat niet meer gehoord kan worden?

Volgens de brief worstelen de leden daar enorm mee: ,,We horen mensen zeggen: waar doe je het nog voor?’’

Die vertwijfeling, gevoegd bij het toch al teruglopende aantal leden – van een volledige bezetting was al langer geen sprake meer – had de resterende koperblazers van mijn vroegere, bijna honderd jaar oude muziekkorps er toe doen besluiten van de brassband ,,een slapende vereniging’’ te maken.

Ik liet het op me inwerken – de paradox van een slapende muziekvereniging.

Al repte het bericht ook van lichtpuntjes (recente jonge aanwas!), toch vroeg ik me af of het slotakkoord niet definitief had geklonken, nu het orkest op de sluimerstand overging.

En zo ja: wat was dat slotakkoord dan geweest?

Ik dacht na over hoe de repetities vroeger altijd eindigden. Of we nu oefenden voor een spectaculair donateursconcert, een technisch ingewikkeld stuk voor het Nederlandse brassbandkampioenschap of de sobere muzikale omlijsting van een doopdienst: steevast sloten we de dinsdagavond af met een koraal. Ik vond dat altijd het mooiste deel van de repetitie, misschien júíst omdat ik als slagwerker alleen maar hoefde te luisteren.

Heel vaak kozen we voor Abide with me , een Engelse christelijke hymne uit 1847 met een eenvoudige, serene melodie. We spraken het uit als Abíedewidme . Pas later kwam ik erachter wat het betekende: Blijf bij me.

Vermoeide hoofden. Gloeiende wangen. Warme instrumenten.

Beslagen ramen, de diepe donkerte daarachter, de kou waar we straks weer doorheen moesten, naar huis, maar nu nog niet.

Eerst vulden we het oefenlokaal nog één keer geestdriftig met muziek, zo zacht en zuiver dat de noten vloeibaar werden en je kalm wegvoerden, deinend stroomafwaarts, naar een plek die harmonie heette.

Mistroostig klikte ik de mail weg. Ik hoop maar dat mijn muziekvereniging ooit weer op die bestemming raakt. Dat het orkest, als deze ruwe stilte is overgewaaid, uit zijn slaapstand ontwaakt.

Abide with me.

Blijf bij me.

Reageren? wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie