Nog héél even geduld voor de mooiste baan

Aan de metalen afzetting hingen bordjes met ‘IJSBAAN GESLOTEN’ en het ronduit alarmerende ‘IJS VOLSTREKT ONBETROUWBAAR!’, maar het hek stond open, net als de deur van de kantine. Dus schuifelde ik nieuwsgierig naderbij.

Wieberen Elverdink.

Wieberen Elverdink.

Daar, onder een volmaakt blauwe hemel, openbaarde zich tot mijn eigen verbazing een vlakte van aanlokkelijk winters zilver.

Verbazing ja, want toen we er een paar dagen eerder langs waren gelopen, leek de baan wel op een poel ijskoffie. Hoofdschuddend hadden we de bruine sneeuwdrab bestudeerd en geconcludeerd dat het waarschijnlijk niks werd, met dat hele schaatsen.

Jammer.

Over tien jaar beter, ooit - als het de pluim behaagde.

Maar nu, enkele snijdende etmalen verder, was alles anders. Het bruin was verdwenen. Van moes was geen sprake meer. Hier lag waarachtig een ijsvloer van graniet, slechts toegedekt met een prettig isolerend dekentje poedersneeuw.

Hoe kon dit? Welk huzarenstukje had het bestuur van de plaatselijke ijsclub opgevoerd?

Dat kon ik ze straks zelf vragen, want in de verte, ergens tussen de vierde en vijfde lichtmast, ontwaarde ik een paar mannen, bezig met een inspectie. Silhouetten met hun handen in de zij of voor hun ogen tegen de zon, monsterend, metend, wegend. Konden ze open?

Daar kwamen ze dichterbij, ik probeerde hun gezichten te lezen.

,,Moarn geane wy los’’, zei Lieuwe, met een boormachine onder zijn oksel. Hij glom als Hannibal aan het eind van een aflevering van The A-Team . ,,De baan is sa glêd as in ikel.’’

Lieuwe kon het weten. Als iemand in het dorp ijs in de aderen heeft, is hij het wel. Hij greep in 1980 in Lake Placid olympisch schaatsbrons op de 500 meter, nog geen halve seconde achter gouddelver Eric Heiden. Het spijt me nog steeds dat ik niet bij de feestelijke inhuldiging was die het dorp destijds voor ‘De Liuw’ bereidde, met een rondrit in een geveerde koets en een receptie in Café Gorter met veel worst, kaas en verhalen. Maar ik was eenvoudigweg nog niet geboren.

Naast Lieuwe stond nu ook Pieter, armenzwaaiend met een van pijn vertrokken gezicht. ,,Spierpine.’’

Sinds dinsdagmiddag had hij uren aaneen over de baan geschuifeld, een zware slang in zijn knuisten, van waaruit honderden liters water over het koffie-ijs gulpte. Voetje voor voetje was hij steeds een stukje verder opgeschoven, als een zaaier over zijn akker, tot diep in de woensdag, zodat het nieuwe waterlaagje zich zo gelijkmatig mogelijk over de onberijdbare smurrie verspreidde. Het was een stoutmoedige en intensieve exercitie geweest, maar de mannen hadden vastgesteld dat ze alleen zo de ijsbaan konden redden.

Pieter: ,,Dêrnei moast de natoer syn wurk dwaan.’’

Dat gebeurde.

Gemiddeld mat Lieuwe een dikte van 8 centimeter, maar er waren stukken, achter op de baan, waar zijn boor pas bij 11 centimeter op water stuitte. Alleen hier vooraan, bij de kantine, waar iedereen op- en afstapte, kon het ijs een nachtje extra aangroei gebruiken. ,,Oars is it fuort wer stikken.’’

Nee, concludeerden de rayonhoofden van ons dorp, nog héél even geduld.

,,Mar moarn, Pieter’’, zei de oud-olympiër tegen zijn kompaan met de stijve armen, ,,moarn ha wy de moaiste baan fan allegear.’’

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column