Nee, zoveel was zeker: ik zou nooit een nacht doorbrengen in een auto

Vanaf het moment dat ik mijn rijbewijs haalde, nu precies een half leven geleden, sluimerde er een wens in mijn achterhoofd. Een latent, maar groeiend verlangen naar een doorwaakte nacht in de auto, samen met de liefste, geparkeerd op een verlaten plek met uitzicht over een meer/zee/beekdal, ultiem vrij en toch beschut, in het zwakke schijnsel van een waterige maan.

Wieberen Elverdink.

Wieberen Elverdink.

Radio zacht. Drank uit de koelbox achterin. Verhalen voor tien, zoenen voor elf. Gedempt geschater achter steeds dichter beslagen ramen.

Paradise by the dashboard light.

Hoe zou het zijn?

Maar zoals zo vaak met dromen gebeurt, raakte ook deze steeds verder bedolven onder een laag levensstof. We werden ouder, verstandiger (degelijker is ook een woord), bewandelden het gestructureerde pad dat onze agenda’s voorschreven en verruilden de springerige turbodiesel voor een stationwagon met Maxi-Cosi’s. Helemaal niets mis mee, natuurlijk, maar aan wilde bohemiaanse tripjes vol romantische wendingen dáchten we niet eens meer.

Nee, zoveel was zeker: ik zou nooit een nacht doorbrengen in een auto.

Welnu, het afgelopen weekeinde maakte ik deel uit van de begeleiding van een jeugdkorfbalkamp - zover heeft de avonturier in mij het dus geschopt. Het kampement, op een camping zo’n 10 kilometer van huis, bestond uit meerdere tenten van verschillende omvang, waarbij de begeleiders individueel in kleine opgooitentjes waren ondergebracht.

Op zaterdagavond, het liep tegen middernacht, waren de meeste kinderen al lang onder zeil, toen de lucht boven ons zwart kleurde en de buienradars op onze mobieltjes donkerpaars. Wat te doen? Iedereen wakker schudden en in alle haast de boel inpakken?

We besloten het eropaan te laten komen. Misschien viel het mee. En dan nog: was er een heerlijker geluid dan het getik van regendruppels op het tentdoek?

Twee uur later werd ik wakker door knetterend onweer en het daarmee gepaard gaande gegil uit de meisjestent. Ik schoot in mijn slippers, sjpletsjte over het ondergelopen veld om die bibberende kinderen wat gerust te stellen, toen bleek dat de problemen in de jongenstent nog veel groter waren. Hun beddengoed dreef – en ik zet dit niet te zwaar aan - op een paar centimeter hemelwater. Terstond vervloekte ik de lekke jarenzeventig-bungalowtent waarin we die arme kleumers hadden ondergebracht, maar wat viel er nog te redden?

Er stond ons als begeleidingsteam maar één ding te doen: de drenkelingen zo snel mogelijk verplaatsen naar ónze tenten, warm en droog, op ónze matrassen, in ónze slaapzakken.

En wijzelf dan?

Ik ga het niet mooier maken dan het is: afgelopen zaterdag bracht ik voor het eerst de nacht door in een auto. Alleen en verregend. Op een parkeerterrein van grind buiten de campingpoort, blote voeten tegen het handschoenenkastje, de rug tegen het koude leer van de achterover geklapte passagiersstoel.

Tussen twee donderklappen door, om 2.27 uur ‘s nachts, bliepte mijn telefoon een bericht van bemoediging van het thuisfront. ‘Hier is het onweer al bijna over. Hoe gaat het bij jullie?’

Paradise by the dashboard light.

Ammehoela.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie