Moet het kabinet aftreden na de toeslagenaffaire?

‘Stap twee is dat het kabinet bij monde van de premier oprechte excuses in de richting van de directe slachtoffers en de samenleving maakt.’ FOTO BART MAAT

Moet het kabinet na de toeslagenaffaire aftreden? Of is aanblijven in deze crisistijd beter? De kunst is een uitweg te zoeken die aan beide opties tegemoetkomt.

Scherp brengt de cartoon van Joep Bertrams ( LC 13 januari) één van de dilemma’s van de toeslagenaffaire in beeld. Zijn de tranen van Rutte en Asscher het gevolg van schuldbesef of van de rotte eieren waarmee ze besmeurd worden?

Achter dit persoonlijk leed gaat iets groters schuil; een duivels dilemma. Moet het kabinet aftreden vanwege het ongekende onrecht dat de parlementaire onderzoekscommissie Kindertoeslagen heeft blootgelegd of toch maar blijven zitten omdat ons land (nog geruime tijd) in een ernstige gezondheids-, economische en sociale crisis verkeert als gevolg van het coronavirus?

Voorstel

Voor beide opties zijn steekhoudende argumentaties op te bouwen. Het gevaar is – zeker in onze steeds meer polariserende samenleving – dat die verschillende redeneringen elkaar uitsluiten. Nu de politieke spanning haar kookpunt nadert (terugtrekking van Asscher; kabinetsberaad van vrijdag) is het de kunst om een uitweg te zoeken die aan beide opties tegemoet komt en die zowel de complexiteit als de staatsrechtelijke zuiverheid geen geweld aandoet. Daartoe het volgende voorstel dat uit verschillende stappen bestaat.

De eerste stap is natuurlijk dat het kabinet een overtuigend compensatiepakket voor de slachtoffers van de affaire samenstelt. Dat pakket zal niet alleen moeten bestaan uit snelle compensatie van kennelijke materiële schade, maar ook uit een ruimhartige schadevergoeding voor immaterieel leed. Hierbij is te denken aan een vast (hoog) percentage van geleden materiële schade, dat tegelijk – en op basis van voorschot – met de compensatie van de materiële schade wordt uitgekeerd.

Stap twee is dat het kabinet bij monde van de premier oprechte excuses in de richting van de directe slachtoffers en de samenleving maakt omdat de nationale overheid verantwoordelijk is voor het ongekend onrecht dat is ontstaan. De oprechtheid en indringendheid van deze excuses zouden er mee gediend zijn als de premier ook hiervoor zich rechtstreeks – via de televisie –tot het volk wendt.

In deze tv-toespraak komen nog twee zaken aan de orde; de derde stap. De premier kondigt aan dat het kabinet heeft besloten om een externe commissie van gezaghebbende onafhankelijk deskundigen breed onderzoek te laten doen naar soortgelijke gevallen in de uitvoering van overheidsbeleid. Daarnaast – en dat is de kern – dient de premier aan te kondigen dat het kabinet de ernst van het probleem volledig onderkent en dat het blootgelegde falen van de rechtstaat en de schending van het democratisch-parlementaire proces op zich zelf voldoende reden zijn voor het aftreden van het gehele kabinet. Het kabinet geeft daarmee aan dat de bereidheid tot aftreden aanwezig is, maar het oordeel daarover niet zelf neemt maar aan de Kamer laat.

Vrijheid van handelen

Kortom, de premier en het kabinet leggen hun lot in handen van de Tweede Kamer. Anders geformuleerd, het kabinet stelt de vertrouwensvraag en – zoals het staatsrechtelijk hoort – is het aan de Kamer om die te beantwoorden. Uiteraard nadat daarover een uitvoerig debat is gevoerd.

In dat debat is de PvdA verlost van een heikel probleem. Door de beslissing van Asscher om zich terug te trekken als lijsttrekker en fractievoorzitter, kan deze partij nu onbevangen een politiek oordeel vormen; zelfs Asscher zelf kan nu aan de interne beraadslagingen daarover deelnemen. Duidelijk is dat door Asschers stap de vrijheid van handelen die de PvdA daarmee krijgt de druk op het kabinet om in lijn met het bovenstaande te handelen alleen maar toeneemt.

Boter op het hoofd

Om bovenstaande uitweg uit de politieke crisis te beoordelen is het goed om daar twee opmerkingen bij te plaatsen. In de eerste plaats is een fixatie op één actor – het kabinet – niet juist. Het rapport van de onderzoekscommissie heeft aangetoond dat vele actoren, tot aan de hoogste bestuursrechter (de Raad van State), ernstige steken hebben laten vallen.

In de tweede plaats heeft de Tweede Kamer zelf ook boter op het hoofd door het bepleiten en goedkeuren van strenge anti-fraude wetgeving. Dat aspect mag niet buiten de discussie blijven. De door mij voorgestelde procedure zal de Tweede Kamer dwingen om ook op de eigen rol te reflecteren en de uitkomsten daarvan te relateren aan het aandeel van het kabinet in het drama.

Peter Polhuis is politicoloog en bestuurskundige en woont in Leeuwarden.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Opinie