De elite veegt zijn mond na het eten af met een ‘napkin’, de onderklasse doet dat met een ‘servette | column Onze man in Manchester

Niels Posthumus, correspondent Verenigd Koninkrijk. FOTO CORNÉ SPARIDAENS

Ik dacht dat ik redelijk Engels sprak, maar van de oudere man die mij in de pub in Birmingham aanspreekt versta ik geen woord. Hij kijkt me vriendelijk aan, ik zie zijn lippen bewegen en ik hoor ook zeker zijn stemgeluid, maar de klanken die hij uitstoot willen geen woorden worden in mijn hoofd.

Nu staat Birmingham ook niet bepaald bekend om zijn prachtige en kristalhelder gearticuleerde accent. ‘Als je met iemand uit die stad praat, beginnen je oren spontaan te bloeden,’ grapte een vriendin van mij uit Liverpool. En dat zegt wat. Zelf is zij namelijk behept met een scouse accent uit die havenstad dat zo zwaar is aangezet dat de gemiddelde dokwerker er een puntje aan kan zuigen.

Toch had ik gedacht dat ik na vijf seizoenen Peaky Blinders kijken – dertig uur televisie in het accent van Birmingham – uitgerekend dat dialect wel onder de knie zou hebben. ,,Het is echt ongelooflijk dat Cillian Murphy (de knappe, charismatische hoofdrolspeler in de gangsterserie, red) onze tongval sexy weet te laten klinken,’’ had stadshistoricus Carl Chinn eerder op de dag in een interview breed grijnzend tegen me gezegd. Ook Chinn was zich er terdege van bewust dat Brummies zoals hij tot aan het succes van de serie altijd voornamelijk om hun accent waren bespot.

Het zou flauw zijn mijn onvermogen de man in de pub te begrijpen puur aan Birmingham op te hangen. Ook in Manchester had ik aanvankelijk moeite de mensen te verstaan. Iedereen praatte er zoals Liam Gallagher van de Britpopband Oasis zong. Alles klonk daardoor best vertrouwd, maar ontcijferen deed ik de woorden en zinnen alsnog niet. Vooral telefoongesprekken waren een linguïstische worsteling. En ik hing nogal wat aan de telefoon in mijn eerste weken in de stad. Als je in een nieuwe plaats komt wonen, zijn er veel logistieke zaken die je met een belletje moet regelen.

Gek genoeg raakte ik sneller gewend aan het accent in Manchester dan ik had gedacht. Steeds makkelijker begon ik mensen te verstaan. Ik vond het eigenlijk wel charmant, bedacht ik, dat Britten die op nog geen 50 kilometer van elkaar wonen zulke volstrekt verschillende dialecten spreken.

En was dat in Nederland eigenlijk wel zo anders? Die vraag schoot plotseling door mijn hoofd. In mijn geboortedorp Zuidhorn sprak mijn overbuurman plat Gronings. Maar had ik met voetbal een uitwedstrijd 30 kilometer naar het westen, in Buitenpost of Surhuisterveen, dan klonk er opeens Fries langs de zijlijn. Binnen Noord-Nederland bestaan niet alleen sterk afwijkende accenten, maar zelfs twee volstrekt verschillende talen. Daarvoor moet ik in Groot-Brittannië toch echt helemaal naar Wales.

Ook in Manchester had ik aanvankelijk moeite de mensen te verstaan. Iedereen praatte er zoals Liam Gallagher van de Britpopband Oasis zong

Ik las in het boek Watching the English van Kate Fox dat de wijze waarop een Brit spreekt overigens nog meer verraadt dan plaats van herkomst alleen. De cultureel antropologe legt uit dat je ook aan iemands taalgebruik kunt aflezen tot welke sociaaleconomische klasse diegene behoort. Zegt hij bijvoorbeeld ‘Pardon?’ als hij je niet heeft verstaan, dan behoort hij tot de onderklasse. Iemand uit de middenklasse zegt in dat geval ‘Sorry?’, of ‘Sorry, what?’. De elite houdt het simpelweg bij: ‘What?’. Iets wat op mij, ironisch genoeg, gevoelsmatig het minst beleefd overkomt.

Dat laatste bleek opvallend genoeg wel vaker het geval. Waar de elite een wc ‘the loo’ noemt, heeft de onderklasse het over het Frans afgeleide ‘toilet’ – een stuk chiquer in mijn Nederlandse oren. De elite veegt zijn mond na het eten af met een ‘napkin’, terwijl de onderklasse dat doet met een ‘servette’. Kennelijk verfranst vooral de sociale onderlaag een hoop.

De man aan het tafeltje naast mij in de pub in Birmingham ratelt intussen vrolijk door in zijn dialect, dat op mij nog steeds op geen enkele manier als Engels overkomt. Lang doe ik oprecht mijn best hem te begrijpen. ,,Sorry,’’ onderbreek ik hem nogmaals. ,,Sorry, what’s that?’’ Ik realiseer me onwillekeurig dat ik met mijn ‘buitenlander-Engels’ voor zijn gevoel dus in de categorie ‘middenklasse’ moet vallen.

Uiteindelijk geef ik het op. Ik knik nog slechts en probeer te lachen op de momenten dat mij dat, op basis van intuïtie, gepast lijkt. Het werkt. De man lacht met me mee, heft zijn pint bier naar mij omhoog, drinkt die leeg, staat op en tikt met zijn hand kort tegen zijn hoofd. Ik groet terug, en weg is hij.

Glimlachen en knikken: het is een universele taal waarop je altijd kunt terugvallen. Of het nu in een pub in Birmingham is, op straat in een Drents of Gronings dorpje of langs het voetbalveld in Friesland.

Onze V/M

Niels Posthumus (Zuidhorn, 3 februari 1981) studeerde politicologie aan Vrije Universiteit Amsterdam en journalistiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, werkte voor de gratis krant DAG , The Star in Johannesburg en als correspondent in Zuid- Afrika voor Trouw en Het Financieele Dagblad . Hij is nu correspondent in het Verenigd Koninkrijk voor onder andere Trouw en woont in Manchester.

Iedere week staat in deze bijlage een column van Onze Vrouw/ Man, een van de acht mediacorrespondenten uit een ander continent.

Volgende week: Roland Smid in Shanghai

Nieuws

menu