Kunnen de regenwouden van Congo de wereld redden? | opinie

De productie van houtskool in Congo gebeurt door het verbranden van oerwoud. De houtskool is zowel voor eigen gebruik als voor de export. Jaarlijks verdwijnt ruim 1 procent oerbos; tegen het einde van deze eeuw is het geheel verdwenen. FOTO AFP/PHIL MOORE

Het woudbassin in Congo is de belangrijkste long van de planeet geworden. Dat moeten we redden, maar daar zal een flinke som geld voor de Congolezen tegenover moeten staan.

H et bos is volop in het nieuws. Deze week vaardigde de EU een richtlijn uit: een verbod op producten die tot stand kwamen op basis van ontbossing. En in Canada vergadert de wereld over het behoud van de biodiversiteit – de hotspots van biodiversiteit zijn de regenwouden. Ze zijn ook de longen van de wereld omdat ze veel CO2 uit de lucht opnemen.

De krachtigste long van de wereld is niet langer het Amazonegebied, maar het Centraal-Afrikaanse woudbassin. Uit onderzoek, onder meer aan de Universiteit van Gent, blijkt dat het Afrikaanse bassin tussen 2010 en 2020 goed was voor een jaarlijkse opname van 0,37 gigaton CO2 tegen 0,25 gigaton voor de Amazone.

De reden is dat de CO2-opname per hectare de voorbije dertig jaar in Afrika bijna constant is gebleven (een daling van 670 naar 630 kilogram), terwijl ze in de Amazone gedaald is van 530 naar 230 kilogram per hectare. Er sterven veel meer bomen in het Amazonewoud doordat het er warmer en droger is. Daardoor is Afrika belangrijker geworden dan de Amazone als koolstofzuiger.

Leven van het woud

Als je daar nog de opslag van koolstof in de bomen en de moerassige ondergronden bij rekent, dan zou het verdwijnen van het Centraal-Afrikaanse woud neerkomen op tien keer de mondiale CO2-emissies (35 miljard gigaton). We hebben er dus alle belang bij om dat woud in stand te houden. Toch gaat er jaarlijks meer dan 1 procent van verloren. Als het zo voortgaat, is het verdwenen tegen het eind deze eeuw. De nieuwe EU-richtlijn zal daar weinig aan verhelpen. De ontbossing in Centraal-Afrika is immers, anders dan in de Amazone, het gevolg van de levenswijze van de bevolking – die leeft van het woud.

De situatie in de Democratische Republiek Congo, waar zich 70 procent van dat woud bevindt, maakt dat duidelijk. Congo telt nu 90 miljoen inwoners. Tegen 2050 verwachten de Verenigde Naties 200 miljoen Congolezen, tegen eind deze eeuw 400 miljoen. Congo heeft een van de snelst groeiende bevolkingen ter wereld.

En die bevolking heeft het woud nodig. De voornaamste energiebron van het land, houtskool, bestaat uit verbrande bomen van dat woud. Rond elke stad is de voorbije decennia een groeiende houtskoolindustrie ontstaan.

Maar het woud is ook de voornaamste bron van vruchtbare landbouwgrond. Sinds eeuwen bedrijven boeren er zogenoemde zwerf-landbouw, waarbij ze een stuk woud kappen, het laten drogen en vervolgens in brand steken – de as wordt dan als mest gebruikt. Dat was eeuwenlang de manier om aan vruchtbare landbouwgrond te komen.

Steeds meer ontbossing

Zolang er maar 10 miljoen Congolezen waren, kon het woud zich herstellen – boeren kwamen pas dertig jaar later terug naar dezelfde plek. Nu komt zwerflandbouw steeds meer neer op ontbossing. Het woud is voor de mensen ook de apotheek, de bron van bouwmaterialen en van eiwitten (rupsen en wild, wat ook weer soorten bedreigt).

De druk van de bevolking op het regenwoud is dus groot. Als we willen dat de Congolezen niet doen wat de meeste volkeren op aarde intussen al gedaan hebben – hun natuurlijke bossen kappen – zal de wereldgemeenschap hen moeten helpen om welvaart te realiseren zonder dat ze hun woud kappen.

Dat zal geld kosten. De wereld wordt zich daar stap voor stap van bewust. Voor het Belgische magazine MO* onderzocht ik hoeveel geld ernaartoe gaat. De voorbije vijf jaar bedroegen de effectieve bestedingen jaarlijks zo’n 100 miljoen dollar – één dollar per Congolees. Het leeuwendeel daarvan kwam van het Centraal-Afrikaans Bosinitiatief waar België, maar vooral Noorwegen aan bijdraagt.

Ik ging ook na wat er met die middelen gebeurt. Zo’n 40 miljoen dollar, goeddeels afkomstig uit de EU en Duitsland, gaat naar het beheer van de natuurparken, waarvan sommige groter zijn dan een land als België. De rest gaat naar grote provinciale projecten die op allerlei manieren de ontbossing tegengaan. Ik heb het project in de provincie Mai Ndombe (vier keer de oppervlakte van België) bezocht. Er viel 40 miljoen dollar te besteden. Mijn indruk is dat die middelen in belangrijke mate daadwerkelijk op het terrein besteed worden.

Langdurig samenwerken

Het succesvolst zijn de plantages van snelgroeiende bomen in savannegebieden. Die zijn na zeven jaar groot genoeg om houtskool te produceren, wat de druk op het woud verlaagt. Het project probeert daarnaast de bestaande landbouw te verrijken met nieuwe teelten als cacao of verbeterde palmbomen of maniokvariëteiten.

Dat moet het inkomen van de boeren verhogen door bestaande landbouwgronden intensiever te gebruiken. Boeren die op hun plantage werken, hebben minder tijd om naar het woud te trekken. Dorpen in woudzones worden ook vergoed om een deel van hun bos te beschermen. Dat is nog pril. Ik bezocht zo’n beschermd stuk bos en zag dat de grenspaaltjes waren ‘omgevallen’.

De middelen komen in belangrijke mate op de juiste plek terecht, zo blijkt. Dat komt doordat het geld beheerd wordt door structuren waarin Congolezen en internationale organisaties samen zetelen. Het zijn echter niet meer dan interessante eerste stappen. Dit is een zaak van lange adem, maar de vrees bestaat dat de donors, zoals meestal gebeurt, na enkele jaren nieuwe projecten zoeken. Dat zou jammer zijn. Als we willen dat de belangrijkste long van de wereld het overleeft, zullen Congolezen en internationale organisaties langdurig moeten samenwerken.

Er zal ook meer geld nodig zijn. Denken we echt dat één dollar per Congolees zal volstaan om hen te motiveren niet te doen wat zowat alle volkeren deden: hun natuurbossen kappen?

De Congolese regering zelf ziet het veel groter. Ze diende in 2021 bij het klimaatverdrag een bijdrage in die 41 miljard dollar zou kosten. Dat lijkt een overdrijving in de andere richting. Er moet een tussenweg gevonden worden opdat Congo le pays solution kan worden die het beweert te willen zijn.

John Vandaele is journalist voor magazine MO* en auteur van De melkboer en de geschiedenis (Uitgeverij Epo). Dit artikel stond eerder in De Standaard en kwam mede tot stand dankzij ondersteuning van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.

Nieuws

menu