Koude camping

Op eerste paasdag kwamen we van een koude camping thuis. Tussen twee winterse buien door gingen we wandelen in een natuurgebied in de buurt, maar eenmaal daar werd onze aandacht vooral getrokken door een eenzame camper op het aanpalende kampeerterrein.

Wieberen Elverdink.

Wieberen Elverdink.

Daar kwam de enige campinggast tevoorschijn uit het toiletgebouwtje. T-shirt, gemakkelijke broek, blote voeten in badslippers, flaconnetje doucheschuim onder de arm. Doodgemoedereerd probeerde hij zijn natte handdoek op te hangen aan een wasrek, dat als een speelbal van de wind aan ’s mans camper slingerde. Hagelstenen parelden op het uitklaptafeltje.

,,Hallo’’, mompelde ik in het voorbijgaan.

,,Hé, hoi’’, reageerde hij, met een ingebeitelde blijmoedigheid die slechtweerkampeerders wel vaker als schild tegen de kou voeren.

Nu weet ik dat dit beeld bij velen meelij oproept, zo’n verwaaid kampeermiddel op een zo goed als verlaten recreatieveld; in mij schudt het juist een zekere vakantiedrift wakker. Omdat juist onder deze omstandigheden de ware kampeerder komt bovendrijven.

Als het gaat om Siberisch kamperen wordt bij ons thuis nog geregeld gerefereerd aan de vroege zomer van 1997, ik was 16. We stonden op een camping aan de voet van de duinen van Zeeuws-Vlaanderen. Normaal gesproken een zomerse smeltkroes van vakantievierders uit Nederland, België, Duitsland en Denemarken, die allemaal naar zonnebrandcrème roken en met bolderkarren vol vliegers, badlakens en proviand over de grindpaden van de camping richting strand knisperden.

Maar toen even niet.

Het weer was al weken grauw en nat, de camping vrijwel leeg; ik zag laatst Mars-beelden van verkenningsrobot Perseverance die gezelliger oogden. We doodden de tijd met spelletjes en lezen, we zochten haaientanden op het strand en klaagden niet. Aan het eind van zo’n dag laafden we ons in de auto aan de verlichte-boerderijenroute in dorpjes als Nieuwvliet-Bad, Retranchement of Waterlandkerkje – geloof me: voor wie verstoken is van campinganimatie kunnen wat lichtbundels op aardappelloodsen al een grote bron van vermaak zijn.

Op de zoveelste regendag lag ik in de voortent te bestuderen hoe een sliert mieren door de gaatjes van het tenttapijt naar de jampot trok, toen een meneer ons kampeerveldje betrad.

Nieuwe gasten?

Iemand van het animatieteam?

Het bleek een journalist van de Provinciale Zeeuwse Courant , op pad gestuurd om het campingleed in een reportage te vatten. Ik herinner me hoe hij mijn moeder bevroeg over hoe erg het allemaal voor ons moest zijn, helemaal uit Friesland en dan dít. En dat mijn moeder tot zijn ergernis alles relativeerde: het was wél lekker rustig zo. En de douches waren toch heerlijk warm?

Laatst vond ik het artikel dat erover verscheen terug in het krantenarchief. Kop: ‘Thuis regent het toch ook…’ We worden er als ‘optimisten’ in bestempeld, die blijk gaven van ‘onderkoelde Friese nuchterheid’ en gezegend waren met een ‘onverwoestbaar humeur’.

Dat laatste klopte. Want wat hebben we gelachen, een paar dagen later, toen de zon aan kracht won en de camping aan het duin volstroomde met nieuw vakantievolk. Kampeerders die met ontblote bovenlijven zuchtend en steunend hun bungalowtenten optuigden, tierend tot de conclusie kwamen dat ze potverdorie wéér de koelelementen vergeten waren, om met een lauw wijntje in een zevenstandenstoel neer te ploffen met de woorden: ,,Zo, díe hebben we nu wel verdiend.’’

Tsss.

Neppers.

wieberen.elverdink@lc.nl

Twitter: @WElverdink

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column