Kiezers zijn niet te vertrouwen

Het openbaar bestuur in Nederland moet op de schop. Tussen overheid en burger moet weer een betere, liefst warme relatie ontstaan.

'Beeldvorming werd belangrijker dan een samenhangend verkiezingsprogramma.'

'Beeldvorming werd belangrijker dan een samenhangend verkiezingsprogramma.' FOTO ANP/REMKO DE WAAL

Mark Rutte wil er meteen mee aan de slag en zal er na de verkiezingen stevig mee doorgaan, mocht hij straks weer premier worden. Een mooi voornemen, maar de politiek zal aan één kabinetsperiode niet genoeg hebben. Wat in een halve eeuw is gegroeid, draai je in vier jaar niet terug. Bovendien is de medewerking van de kiezers nodig en die zijn niet te vertrouwen.

De toeslagenaffaire die het land nu bezighoudt, heeft een lange voorgeschiedenis. Die begint ergens in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De solide zuilen waarop de samenleving steunde, vielen uit elkaar. De steeds welvarender burgers waren te zelfstandig en te mondig om zich zo maar te schikken naar wat de eigen leiders beschikten.

Ze eisten inspraak of zelfs medezeggenschap. Gezag was niet meer vanzelfsprekend, maar moest worden verdiend. Kiezers werden steeds wispelturiger. Grote groepen zweefden bij verkiezingen zo maar van de ene naar de andere partij.

Marktwaarde

De kiezers keken ook anders naar de overheid. Die moest snel leveren wat zij vroegen. Dat kan in het openbaar bestuur lang niet altijd, omdat er wetten, regels en uiteenlopende belangen bestaan. De kritiek op de overheid groeide. Rijksdiensten, provincies en gemeenten moesten meer als een bedrijf gaan werken. Ondernemers spraken met minachting over de prestaties van ministers, wethouders en de ambtenarij. ‘Als ik mijn toko zo zou runnen, was ik binnen een jaar failliet,’ hoorde je aan de statafels bij recepties waar veel van dat volk rondliep.

De overheid paste zich aan. Bij besturen ging het steeds meer om ‘procesbeheersing’, met veel communicatie en marketingtechnieken. Politieke partijen gingen dezelfde weg op. Beeldvorming werd belangrijker dan een samenhangend verkiezingsprogramma. Bij de keuze van een lijsttrekker ging het vooral over de marktwaarde van de man of vrouw. Hoe kunnen we hem of haar verkopen aan de zwevende kiezer?

Mondige burgers

Zo lagen politiek en openbaar bestuur er bij aan het begin van deze eeuw en sindsdien is het alleen maar erger geworden. De kiezers zijn nog wispelturiger. Het politiek landschap is verder versplinterd, ook in de gemeenten. Dat maakt het lastig om een behoorlijk beleid uit te voeren, wat dan weer leidt tot grotere ontevredenheid over het functioneren van het openbaar bestuur. De mondige burgers stellen hun eisen aan de overheid dwingender dan ooit. Als ze zeggen dat ze ‘gehoord willen worden’, bedoelen ze dat ze hun zin moeten krijgen. En graag vlug een beetje.

Dat maakt politici onzeker. Kamerleden lijken kleine zelfstandigen met weinig bestaanszekerheid. Zelfs voor een pas gekozen lijsttrekker van de PvdA kan het van de ene op de andere dag afgelopen zijn. Het publieke debat is verhard en speelt zich voor een deel af op sociale media, waar grote onzin als de hoogste waarheid wordt uitgevent.

Toeslagenaffaire

Zo zijn we terechtgekomen in een land waar Geert Wilders aan een grote mond in de Kamer genoeg heeft om zich al twintig jaar staande te houden als beroepspoliticus. Waar Thierry Baudet en Theo Hiddema met hun variéténummer zo maar de grootste partij van het land konden worden bij de provinciale verkiezingen van 2019. Friesland hield er in de Staten een fractie van vijf labbekakken aan over.

En in dat klimaat kon het ‘Den Haag’ ontgaan dat bij de Belastingdienst de jacht op misbruik van toeslagen voor kinderopvang gruwelijk uit de hand liep. De mores was immers dat misbruik van toelagen en voorzieningen niet hard genoeg kon worden aangepakt. Dat vonden de kiezers ook. Toch?

Rimmer Mulder, oud-hoofdredacteur Leeuwarder Courant.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Opinie