Is water alleen vijand die we bestrijden of kan het ook metgezel zijn met wie we meebewegen? De twee gezichten van de Friese bedijking | opinie

De Stenen Man, bij Harlingen, met Januskop. ‘Met de tijd is steeds duidelijker geworden dat ook de bedijking van de Friese kust twee gezichten heeft.’ FOTO ARCHIEF LC/CATRINUS VAN DER VEEN

Is het water alleen een vijand die we bestrijden? Of kan het water ook een metgezel zijn, met wie we meebewegen? Die vragen moeten we onszelf stellen.

In het Duitse Waddengebied, om precies te zijn in de regio Nord-Friesland, liggen de Halligen. De mensen wonen er op terpen, die meestal bestaan uit een handjevol huizen gegroepeerd rond een drinkwaterpoel. Tijdens het veldwerk voor mijn boek De Friezen huurde ik op Hallig Langeneß een appartement bij een boerengezin.

Toen ik mijn gastheer Honke Johannsen vroeg naar het verschil tussen een Hallig en een eiland, was zijn uitleg kort maar duidelijk. ,,Vanuit mijn huis op de Hallig kan ik het water zien, het Wad. Op een eiland kijk je tegen een dijk aan.’’

Elke winter overspoelt de Waddenzee Hallig Langeneß, gemiddeld een keer of twaalf per seizoen. Landunter , noemen ze het daar. Het zoute water neemt bezit van de kwelders, van de weilanden, en de bewoners trekken zich met hun vee terug in hun huizen en stallen op hun terp. De seizoenen en de getijden bepalen er het leven, degenen die er wonen bewegen mee in het ritme.

Ritme van de getijden

In feite leven ze nog net zo als Friezen in hun terpengebied duizend jaar geleden. De inwoners van de huidige provincie Friesland ben ik pas echt gaan begrijpen na mijn bezoek aan de Halligen.

Doorgaans duurt een Landunter niet meer dan vierentwintig uur en valt de Hallig daarna langzaam weer droog. Het zeewater laat dan een dun laagje klei achter, gemeten over een hele winter gaat het om een afzetting van ongeveer een halve millimeter. Dat lijkt verwaarloosbaar, maar over een volle eeuw gerekend is dat toch 5 centimeter. Ook de Hallig zelf beweegt zo mee op het ritme van de getijden, leeft, groeit aan.

Vanaf het moment dat ze deze kusten bevolkten, wierpen de Friezen terpen op en hielden ze zich bezig met kustbescherming en waterhuishouding. Ze moesten wel. Ze konden hier niet leven zonder zich te verhouden tot de zee en haar grillen. En nog altijd kunnen we dat niet.

In de twaalfde eeuw begonnen de monniken van kloosters als Klaarkamp en Aduard met de aanleg van dijken, wat er uiteindelijk toe leidde dat de meeste terpen overbodig werden. Toen ik mijn gastheer Honke op Hallig Langeneß vroeg hoe hoog de Waddendijk op het vasteland was, antwoordde hij: ,,Te hoog.’’ Hij vertelde van een stormvloed in 1962, die veel bewoners van de Halligen bijna fataal werd. Een westerstorm stuwde de Noordzee de Duitse Bocht in, het water sloeg over de terpen en een eerste huis was al half ingestort. De bewoners vreesden serieus voor hun leven toen, als bij toverslag, het waterpeil snel begon te dalen.

Gelijkspel

Later bleek dat de Waddendijk doorgebroken was. Pech voor degenen die op het vasteland woonden, de redding voor de bewoners van de Halligen. ,,Als die dijken er niet waren, zou het hier voor ons een stuk veiliger zijn’’, stelde Honke. Vanuit dat oogpunt had ik de kustverdediging nog nooit bekeken.

Wij leren op school over de strijd tegen het water, de zee als tegenstander en onze dijken die ons beschermen. Dat is een mooi narratief, maar het vertelt niet de hele waarheid.

Sinds het begin van de dijkaanleg in de twaalfde eeuw, is in heel Friesland per saldo meer land aan de zee verloren dan op de zee gewonnen. Steeds hevigere ingrepen in de waterhuishouding zijn nodig om droge voeten te houden. Hoe nadrukkelijker we proberen controle over de natuur te krijgen, hoe meer we onze eigen plek in die natuur ondergraven. Ondanks steeds hogere dijken blijkt de zee een geduchte tegenstander. Onder de streep komt de mens in het gunstigste geval tot een gelijkspel.

Tot 1970 hanteerde het Wetterskip nog een afzonderlijk zomer- en winterpeil voor het Friese boezemgebied. In de natte periode van oktober tot april kon het het water zelfs tot boven NAP reiken, in droge zomers stond het soms wel een meter lager. Hoewel de provincie toen al omdijkt was, bleven we binnendijks meebewegen met het water, met het ritme van de seizoenen.

Grondhonger

Halverwege de negentiende eeuw telde Friesland ongeveer 100.000 hectare boezemland: land dat vrij afwatert op de boezem en dat in de winter fungeert als waterberging. Met de tijd is een groot deel ervan ingepolderd. In zomerpolders wordt tijdens de winterperiode water ingelaten, winterpolders staan het hele jaar droog.

Tegenwoordig is echt boezemland vrijwel alleen nog in Friese natuurgebieden te vinden. Al met al gaat het om rond de 200 hectare zogeheten blauwgrasland. Zelfs wanneer we de zomerpolders meetellen, is de oppervlakte van de waterberging in de provincie gekrompen tot minder dan 3000 hectare.

De honger naar grond voor woningen en landbouw is in de afgelopen honderdvijftig jaar sterk toegenomen. Dat is ten koste gegaan van het oorspronkelijke bodemgebruik en het bijbehorende landschap.

Stenen Man

Het verdwijnen van het winterpeil en de blijvend lage waterstand in de Friese boezemwateren hebben grote gevolgen. De natuur holt achteruit, de aantallen weidevogels nemen dramatisch af, de drinkwatervoorziening komt in gevaar en de bodem daalt nog sneller vanwege inklinking.

Als antwoord daarop verhogen en verzwaren we zowel de binnen- als de buitendijken. Dat is een kwestie van keuzes en het Wetterskip speelt een sleutelrol bij het maken ervan.

Op de Waddendijk bij Harlingen staat de Stenen Man. Het is een zuil die de grens van twee dijkvakken markeert en tegelijkertijd een eerbetoon aan Caspar de Robles, de man die namens koning Filips II in de zestiende eeuw stadhouder van Friesland was.

Boven op het monument prijkt een Januskop, een hoofd met twee gezichten. De Robles had twee gezichten: enerzijds de wrede onderdrukker, anderzijds de standvastige bestuurder die een belangrijke rol zou hebben gespeeld bij de bedijking van de Friese kust.

Met de tijd is steeds duidelijker geworden dat ook de bedijking van de Friese kust twee gezichten heeft: enerzijds bescherming tegen de zee, anderzijds aantasting van de natuur en het inklinken van de bodem. Juist de bescherming maakt ons kwetsbaar.

Vijand of metgezel?

Met onze waterhuishouding is het net als met de Januskop. Zolang we aan een kant blijven staan, zullen we de andere kant niet zien. Maar die kant is er wel. De vraag is of we beide gezichten in de ogen durven kijken, willen kijken.

Willen we nog meer huizen bouwen in gebieden die onder de zeespiegel liggen terwijl die zeespiegel alleen maar verder stijgt? Willen we met intensieve landbouw het maximale uit onze bodem blijven halen en de wereld voeden, ook als dat ten koste gaat van ons oorspronkelijke landschap, of is natuur-inclusieve landbouw een betere optie? Is het water alleen een vijand die we bestrijden, of kan het water een metgezel zijn met wie we meebewegen, zoals ze op de Halligen doen?

Het is goed om onszelf en elkaar dergelijke vragen te stellen – zowel binnen het Wetterskip en de politiek, als daarbuiten in het publieke debat – in de wetenschap dat elke kwestie meer dan één gezicht heeft.

Afgelopen donderdag sprak schrijver Flip van Doorn tijdens de Caspar di Robles-lezing van het Wetterskip Fryslân. Dit is een ingekorte versie van zijn betoog. Van Flip van Doorn (Zeist, 1967) verscheen in 2017 De eerste wandelaar. Na zijn verhuizing naar IJlst verdiepte hij zich in de Friese geschiedenis en zijn eigen Friese wortels. Zijn boek De Friezen werd enthousiast ontvangen en beleeft inmiddels de achtste druk.

Nieuws

menu