In een tijd waarin de democratie onder vuur lijkt te liggen, helpt het niet om de huidige regels van het spel heilig te verklaren | opinie

Moeten we langer toestaan dat politieke partijen waarvan een (heel kleine) fractie van de bevolking lid is en waarvan een nog kleiner deel actief is, in feite uitmaken wie het land of de gemeenschap bestuurt?’ FOTO ANP/BART MAAT

In een tijd waarin de democratie onder vuur lijkt te liggen, helpt het niet diezelfde democratie en de huidige regels van het spel heilig te verklaren.

I n de Leeuwarder Courant verschenen twee elkaar versterkende artikelen over de aanvallen op de democratie. Onder de tweeledige kop ‘Democratie onder vuur’ en ‘Gelijk hebben, gelijk krijgen en gelijk afdwingen’ is te lezen hoe extreemrechts en antidemocraten tegenwoordig – soms letterlijk – inbeuken op de instituties van onze democratische rechtsstaat ( LC 19 november).

Een paar dagen later lezen we dat de samenleving alert is op islamitisch geweld maar een blinde vlek heeft voor rechts- en anti-overheidsextremisme ( LC 23 november). Beide artikelen maken ons bewust dat de democratische rechtsstaat met democratische middelen, zoals partijen die door vrije verkiezingen aan de macht zijn gekomen, uitgehold en zelfs afgeschaft kan worden.

Dat mag natuurlijk niet gebeuren. Terecht wordt in een van de artikelen gesteld dat de democratie heilig moet zijn. Helemaal mee eens. Waarom dan toch een reactie? Dat heeft te maken met de verdedigingslinies die in het stuk worden opgeworpen.

Paradox

Zo is de burgemeester van Emmen, die de vergadering van zijn gemeenteraad ruw verstoord zag, van oordeel dat meningen natuurlijk geuit mogen worden, ,,maar wel volgens de regels’’. Een onderzoeker van de RUG ziet veel in het ,,krachtig’’ en ,,massaal’’ afwijzen van antidemocratisch extremisme. Immers: ,,Als je de spelregels van de democratie niet hooghoudt, dan kun je net zo goed stoppen met het spel.’’

Het levert een interessante paradox op. Mag je, zoals nu in de Tweede Kamer wordt besproken, een gekozen partij verbieden om nog langer aan dat spel deel te nemen? Is dat niet even ondemocratisch als wat die te verbieden partij voorstaat?

Deze reacties zijn begrijpelijk, maar verre van toereikend. Massaal en krachtig afwijzen van antidemocratisme zal eerder het tegenovergestelde effect sorteren, omdat extremisten juist daarin de bevestiging van hun gelijk kunnen zien.

Hoe kan het anders?

Een ideale democratie?

In plaats van de vormgeving van onze democratie heilig te verklaren, lijkt het mij belangrijk die juist te relativeren. Daar is om zeker drie redenen aanleiding voor. De geciteerde defensiestrategieën suggereren dat er zoiets als een ideale democratie met vastgestelde spelregels bestaat en dat die in Nederland is gerealiseerd. Dat is naïef. Alleen al een blik op de ons omringende democratieën maakt duidelijk dat het democratisch gedachtegoed op vele wijzen, soms beter dan bij ons, kan worden vormgegeven.

Zijn door de gemeenteraad voorgedragen burgemeesters echt democratischer dan gekozen burgemeesters (zoals in Duitsland)? En is een parlement dat is samengesteld op basis van evenredige vertegenwoordiging echt democratischer dan wanneer een districtenstelsel hiervoor de grondslag vormt (zoals in het Verenigd Koninkrijk)?

In de tweede plaats is de inrichting van onze democratische structuur nog altijd gebaseerd op de Grondwet (Thorbecke, 1848) en de snel daarop volgende Provincie- (1850) en Gemeentewet (1851), namelijk eenvormigheid van de hoofdstructuur van de lagere overheden. Dat betekent onder meer dat provincies en gemeenten – en in zekere zin ook de waterschappen – eenzelfde bestuursstructuur kregen, met een gekozen volksvertegenwoordiging (gemeenteraad, Provinciale Staten), een college van dagelijkse bestuurders (burgemeester en wethouders, Gedeputeerde Staten) en een voorzitter (burgemeester, Commissaris van de Koning). De marges om daar naar eigen inzichten en behoeften op te variëren zijn voor die lagere overheden heel gering.

Deze hoofdstructuur bestaat al ruim 170 jaar en heeft goede diensten bewezen. Maar is het vreemd om de vraag te stellen of deze oude eenvormigheid misschien aan het einde van haar levenscyclus is gekomen? Is de samenleving niet radicaal veranderd door diversificatie van bestuurlijke uitdagingen en door de komst van machtige internationale actoren (techgiganten) en door geheel nieuwe interactiepatronen tussen inwoners en hun overheid (sociale media)?

Kloof wordt groter

De derde relativering van de vormgeving van democratie is te vinden bij de organisatietheorie die benadrukt dat elke organisatie een bestuursstructuur, de zogeheten governance , moet kiezen die het best past bij de eigen uitdagingen. Is het dan wel zo vanzelfsprekend dat een grote stad als Amsterdam eenzelfde governance heeft als bijvoorbeeld een Waddeneiland?

Deze drie relativeringen maken duidelijk dat er altijd kritiek op democratie mogelijk is, dat de vormgeving daarvan niet vanzelfsprekend is. Critici die bepaald niet beticht mogen worden van rechts-extremisme of anti-overheidsdenken zijn niet mals in hun kritiek. Ze typeren ons politiek bestel als een diploma-democratie met politici uit een gesloten, academische, kaste.

Ook lijkt de kloof tussen Den Haag en de werkelijkheid daarbuiten in plaats van kleiner steeds groter te worden. Burgerparticipatie leidt nauwelijks tot bijstelling of stopzetting van voorgenomen beleid en politieke besluitvorming is nauwelijks te volgen door Europese regelgeving en ondoorzichtige lobbyactiviteiten.

Democratisch bijziend

Verder ontbreken tussentijdse bindende kiezersuitspraken (referenda) en lijdt ons bestel aan ‘democratische bijziendheid’, omdat politieke en mediasuccesjes (‘scoren’) belangrijker zijn dan langetermijnvisies. En partijbelangen winnen het van het algemeen belang.

Kritiek is makkelijk, maar kan het ook anders en tóch democratisch? Een aantal aanzetten.

Zou het voor de binding tussen kiezer en gekozene niet beter zijn om een districtenstelsel in te voeren, waardoor volksvertegenwoordigers direct door kiezers gekozen worden in plaats van mee te liften op het electorale succes van hun lijsttrekker? Moeten we langer toestaan dat politieke partijen waarvan een (heel kleine) fractie van de bevolking lid is en waarvan een nog kleiner deel actief is, in feite uitmaken wie het land of de gemeenschap bestuurt?

Is een Eerste Kamer in ons bestel wel noodzakelijk? En zo ja: zou die dan niet een veel herkenbaarder regionale functie moeten krijgen, zoals de Senaat in de Verenigde Staten? Zouden we niet moeten streven naar kabinetsformaties waarop kiezers herkenbaar invloed hebben?

Waarom zijn we er nog steeds niet in geslaagd een vorm van tussentijdse volksraadpleging te integreren in ons parlementaire systeem? Willen we nu wel of niet het zogenoemde toetsingsrecht van wetten aan de Grondwet, zoals dat allang in Duitsland bestaat?

Waarom gebruiken we de lokale democratieën niet als proeftuinen waarin andere bestuursstructuren en andere bestuursinstrumenten uitgeprobeerd kunnen worden, opdat andere overheden, waaronder de nationale, daarvan kunnen leren? Gaan we nu eindelijk serieus werk maken van al die toekomstgerichte aanbevelingen die door de recente enquêtecommissies naar misstanden binnen de overheid naar voren zijn gebracht?

Hoe kunnen we de overheid weer transparant maken voor burgers, zodat het echt openbaar bestuur wordt? Zijn tijdelijke burgerberaden met gemotiveerde burgers, waarmee in het buitenland indrukwekkende en gedragen oplossingen voor moeilijke maatschappelijke vraagstukken zijn bereikt, niet een welkome verrijking van ons parlementaire systeem?

Experimenteren

Net als het lijstje van kritiekpunten zijn deze suggesties ter overdenking makkelijk uit te breiden. Waar het mij om gaat, is de discussie over de vormgeving van democratie met open vizier, actief en zonder taboes te voeren.

Het helpt niet echt om de democratie en de huidige regels van het spel heilig te verklaren. Dat leidt tot democratische zelfgenoegzaamheid en luiheid van denken. Ook het verbieden van politieke partijen is zo’n zwaktebod. Pas nadat alle middelen om het democratische weerstandvermogen te bezielen zijn aangewend, mag – dus in uiterste gevallen – zo’n optie overwogen worden.

Hebben die antidemocratische extremisten dan toch een punt? Neen, maar dat krijgen ze misschien als ze achteloos worden genegeerd en kritiek van binnenuit niet serieus wordt genomen. Een gezonde democratische samenleving doet actief aan zelfreflectie en zelfdiagnose en nodigt iedereen uit – dus niet alleen politici, politicologen en staatsrechtjuristen – om daaraan een bijdrage te leveren.

Het is verstandig om met nieuwe democratische vormen en middelen te experimenteren, zodat stapje voor stapje en aangepast aan nieuwe maatschappelijke omstandigheden de democratische rechtsstaat bij de tijd en daardoor geloofwaardig en maatschappelijk geaccepteerd blijft.

Peter Polhuis uit Leeuwarden is bestuurskundige/politicoloog.

Nieuws

menu