Op zoek naar boeken en brieven over het eerste psychiatrische ziekenhuis van Friesland

Vorig jaar deed ik al eens een oproep in een column, omdat ik input verzamel voor mijn nieuwe boek.

Anne-Goaitske Breteler.

Anne-Goaitske Breteler. FOTO LC

Dat onderzoek naar de omgang met geestelijke gezondheid op het platteland loopt nog steeds. Ik bezocht de afgelopen twee jaar verschillende locaties die me iets lieten voelen van die geschiedenis, zoals de voormalige psychiatrische instelling La Pitié-Salpêtrière in Parijs, maar ook het Psychiatrisch Ziekenhuis Franeker. Daarnaast sprak ik met vele mensen die de ruimtes voor me inkleurden: psychiaters, geestelijk verzorgsters en cliënten van de GGZ.

Inmiddels heb ik meermaals geprobeerd om orde te scheppen in al die verhalen, locaties en tijden. En hoewel het begrip ‘waanzin’ daardoor steeds minder vatbaar lijkt, verschijnt er voorzichtig toch een geraamte van wat uiteindelijk het boek moet worden.

Het opvullen van die bladzijdes houdt tegelijkertijd in dat ik mijn uren aan de schrijftafel voor andere projecten moet beperken. Vandaar dat ik voorlopig wat minder columns ga schrijven. Maar deze keer verwerk ik graag nog eens – voordat ik hier de komende maand de pen even neerleg – mijn fascinatie tot een vraag aan jullie.

In 1851 opende in Franeker het eerste Friese psychiatrische ziekenhuis, of ‘gesticht’ zoals het toen nog werd genoemd. Een van de eerste stukken die ik in handen kreeg, dateert uit dat jaar. Het is een jaarverslag van de geneesheer-directeur Dr. R. Lammerts van Bueren. Zijn toon is verrassend genoeg empathisch. Hij beschrijft dat er liever niet overgegaan werd tot dwangmiddelen, en dat sommige patiënten die binnenkwamen op zo’n slechte wijze behandeld waren – lees; vastgebonden aan een paal en aangevreten door ongedierte – dat ,,eenen toestand geschikt [is] om elk tot razernij te vervoeren’’.

Tijdens dat eerste jaar werden zo’n vijfenzestig ,,behoeftige krankzinnigen’’ verpleegd. De jaren erna, nam het aantal alsmaar toe. Verplegers en andere werknemers – loopmeisjes of bewaking – wisselden elkaar nog sneller af dan de patiënten die in Franeker verbleven. In 1995 verscheen een boek van de verpleger A. Zondag, over zijn werkzame leven in het psychiatrisch ziekenhuis vanaf de twintiger jaren.

Stuk voor stuk zijn die documenten van groot belang voor mijn boek. Ze geven een specifiek perspectief op de gehele geestelijke gezondheidszorg op het platteland. Maar om echt een compleet beeld te kunnen weergeven, heb ik ook de stem van de patiënten zelf nodig. Degenen die in Franeker verbleven of die thuis verpleegd werden.

Ondertussen heb ik die gesprekken al wel kunnen voeren met de mensen die er vandaag de dag nog mee te maken hebben. Zo kan ik proberen op te tekenen hoe het voor hen geweest moet zijn. Maar om iets terug te vinden van de ervaring van de mensen die daarvoor opgevangen werden, dat lijkt een moeilijke zoektocht. Toch zijn juist die documenten van essentieel belang voor een geloofwaardig onderzoek.

Dus vandaar dat ik mijn hoop vestig op de persoonlijke archieven van de lezers. Misschien liggen er ergens op zolder nog oude dagboeken, notities of briefwisselingen die iets kunnen vertellen over de omgang met geestelijke gezondheid op het platteland. In alle discretie, met anonimiteit gegarandeerd, verwerk ik ze dan graag in het boek!

agbreteler@gmail.com

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column