Een Rotterdammer in Leeuwarden: Cambuur wordt dé club

Daniël Coenen. FOTO JAN DE GROEN

Daniël Coenen verhuisde onlangs samen met zijn gezin van Rotterdam naar Leeuwarden. Hoe beleven zij de overstap van de Randstad naar Friesland? In een wekelijkse column vertelt hij de komende tijd over wat hij meemaakt. Vandaag deel 14: Cambuur wordt dé club.

In mijn verder uitstekende jeugd in Amersfoort heb ik één ding gemist: een betaaldvoetbalclub. Liefst eentje die niet zo heel goed is, ergens in de eerste divisie. Waar je op vrijdagavond naartoe gaat, met je vrienden op een vaste plek in het stadion, om je weer volop te ergeren. Maar die af en toe piekt, misschien zelfs promoveert, en jou dan het gevoel geeft onderdeel te zijn van de geschiedenis.

Met mijn vader ging ik als kind vanuit Amersfoort wel eens naar FC Utrecht. Maar daar voelde ik me buitengesloten als provinciaal. Aansluitend bij mijn woonplaatsen bezocht ik vervolgens Ajax (steriel), Feyenoord (overweldigend) en Sparta (romantisch).

De clubs komen niet tegemoet aan mijn verlangens. Ajax en Feyenoord zijn te groot en te massaal. Sparta is aantrekkelijk. Maar lijkt niet meer authentiek. De traditieclub is verhipt en gecultiveerd.

Hier komt bij: het wonen in Amsterdam en Rotterdam beleefde ik als tijdelijk. Ik voorvoelde dat ik er niet lang zou blijven. Bewust of onbewust zorgt dit ook voor minder binding met de clubs. De verhuizing naar Leeuwarden biedt daarom veel perspectief. Het idee is om hier langere tijd te blijven. En Cambuur is precies zo’n club om op vrijdagavond heen te gaan met je vrienden.

Ik heb er zin in. Daniël komt eraan en heeft een clubcard. Cambuur speelt de pannen van het dak. Maar stadionbezoek zit er voorlopig niet in. En de bouw van het nieuwe stadion krijgt een knauw, met bestuurlijk gedoe er bovenop. Supporters, politici, bouwers mengen zich direct. De krant vult z’n pagina’s. Beroepsmatig volgde ik de discussie over een nieuw stadion voor FC Dordrecht van nabij. Wat is dat toch, wat betaaldvoetbalclubs betekenen voor hun stad?

Er is vast wetenschappelijke literatuur over. Maar als ik naar mezelf kijk: het verbindt. Een club verbindt jou met je stad, met je vrienden en/of familie en met een activiteit die je waardeert, namelijk voetbal. Deze verbinding doet ertoe, die creëert namelijk positiviteit, zelfs als de resultaten tegenvallen. En als genoeg mensen deze positiviteit ervaren, moet je er als stad energie in steken en ruimte voor maken.

Ik weet niet of ik op mijn bijna 37e jaar nog echt Cambuur-supporter kan worden. Met lokale vrienden. Ik zet in op mijn zoon. Als we voetballen noemt hij zich nu Frenkie. En na diverse YouTube-filmpjes begon hij gisteren zelf over Maradona. Maar dat moet maar eens Mühren, Korte of Jacobs worden.

Reageren? daniel_coenen@hotmail.com

Nieuws

Meest gelezen