Joost Oomen verbleef drie dagen op een terp in de Leeuwarder binnenstad waar hij de zwaarte van eeuwen voelde: 'Ik krijg last van mijn buik, leg mij te slapen in een luchtballon' | opinie

De Grote Kerk in Leeuwarden: ‘Leg mij voortaan niet te slapen op een terp, ik krijg er nachtmerries van.’ FOTO WIKIMEDIA COMMONS/JOHAN BAKKER

Op verzoek van Arcadia verbleef Joost Oomen drie dagen op de eerste terp van Leeuwarden. Hij voelde er de zwaarte van de eeuwen drukken. ,,Sommigen zeggen dat de tijd altijd een rondje is. Dat is waar en niet waar: de tijd wordt sóms een rondje.’’

1.

‘Die terp is net een buik,’ zegt de man op de top tegen mij.

Juist, denk ik, en in tijden van stress krijg je last van je buik.

2.

Ik ben door de organisatie van cultuurmanifestatie Arcadia voor drie dagen op een terp neergezet. Het is niet zomaar een terp, het is de oudste plek van Leeuwarden en hij ligt midden in de stad. Op het hoogste punt staat de Grote Kerk en aan de voet is hotel ’t Anker gevestigd, waarin ik verblijf. De eigenaar is gevraagd mij een kamer te geven aan de achterkant, zodat ik zelfs vanuit bed het ‘artistiek-historische onderzoek’ kan verrichten, waarvoor ik ben gevraagd. Hij doet de gordijnen open en wijst mij op een verzameling grijze, platte daken.

„Kijk, hierachter ligt het bijna 2 meter hoger dan hiervoor”, zegt hij. „Ik ging hier wel eens graven met mijn broertje. We hebben er een keer een grafzerk gevonden, die hebben we toen met een hefboom omhoog proberen te krijgen. Vanwege die grafzerk schrok ik ook niet toen we laatst last van grondwater hadden en ik een heel skelet naar boven trok. Je hoeft hier maar even de grond in en je vindt alle tijdlagen netjes op elkaar.”

3.

Ik heb drie eenpersoonsbedden in mijn hotelkamer. Ze zijn alle drie opgemaakt en op alle drie liggen een kleine en een grote handdoek. Het lijkt alsof er nog twee Joosten worden verwacht. Ik kies het bed het dichtst bij het raam om in te slapen.

Klusjesmannen uit het Oosten

In hotelbedden denk ik altijd aan degene die voor mij in het bed heeft gelegen. In dit geval kan ik dit in drievoud doen.

Drie christelijke korfballers?

Drie vriendinnen, samen naar het huwelijk geweest van een vage kennis of collega, nu ladderzat en snurkend in bed?

Drie klusjesmannen uit het Oosten, onder de stuc en diep in slaap, met hun wit bespikkelde zware schoenen keurig netjes naast het bed en drie pakjes zware shag naast elkaar op het kleine tafeltje.

Een moeder en een puberdochter, het middelste bed leeg, de dochter met haar telefoon in haar hand, haar gezicht wit verlicht en haar rug naar haar moeder en de moeder met het laken over haar hoofd.

‘Ik zak door het bed’

Ik word die moeder met de deken over haar hoofd, want haar hoofd ligt op hetzelfde kussen als het mijne. Ik word een pianostemmer die door het land reist om de ongebruikte vleugels van rijke mensen af te stellen, zijn gepoetste schoenen keurig naast elkaar onder het bed. Ik word de vrachtwagenchauffeur met de kapotte wagen, de amateurwielrenner die voor zichzelf een weekend Friesland heeft geboekt, de man die in scheiding ligt en voor het eerst, in het donker, durft te huilen. De junk die met moeite het geld voor een kamer bijeen heeft gespaard omdat hij echt niet nog een keer in de opvang wil.

Ik zak door het bed, ik word het matras. Ik word de vloer, de trap, de ontbijtzaal met het plakje suikerbrood dat precies onder mij ligt. Ik word de talloze keren geboende plavuizen, de kruipruimte vol spinnen en uiteindelijk word ik de zwarte aarde, een oude kaplaars, een muntje uit de tijd van Napoleon, een baksteen, een benen schaakstuk, een kruis, een schedel met een stuk eruit, een roestig pistool.

Ik word het skelet in de buik van de terp.

How marvelous

Ik ben het filter van een sigaret, door een vertegenwoordiger van de Rabobank ooit, begin 2004, op deze terp laten vallen. Die vertegenwoordiger vertrok vanuit hotel ’t Anker naar de dorpen om Leeuwarden heen, zette een zak geld op keukentafels en vroeg aan de boeren die tegenover hem zaten of ze geld wilden lenen om meer koeien te kopen. Ik word die zak geld. Ik word de mest van de koeien die over de akkers werd gesproeid. De tijd maakt een bochtje en ik word een trekker op de A7 die een ambulance blokkeert, ik word een brandende hooibaal, een koe voor de Tweede Kamer. Ik word de vertegenwoordiger van de Rabobank, die nu op een terras in een middelgrote stad een broodje zalm eet. De draadjes spuug in zijn mondhoeken zijn van hetzelfde spuug dat in de terp op het sigarettenfilter zit, en dat spuug en die filter, dat ben ik.

Ik ben de kroonkurk van een glazen flesje Spa Rood, oud etiket, op de grond laten vallen door een Amerikaanse vrouw die in Leeuwarden is om haar voorouders te onderzoeken. „How marvelous”, zegt ze bij elk oud gebouw. De vrouw is 45, blond uit een flesje, conservatief en ze snurkt. Ik word haar handtas, waar ze een tijdschrift in heeft zitten met een analyse van een lopende rechtszaak erin, een rechtszaak in 1973 die gaat over de vraag of Amerikanen recht hebben op vrije toegang tot abortus. Ik ben het pakje Chesterfield naast dat tijdschrift.

De terp is geen terp meer

Ik ben de zoon van deze slapende mevrouw, die in 1993 de hand van zijn vriendin vasthoudt terwijl zij een abortus ondergaat. Hij heeft het niet aan zijn moeder verteld, zij is erop tegen. Ik word een meisje van 10, in 2022, dat echt bestaat en echt zwanger is en dat kind moet voldragen omdat negen mannen en vrouwen in zwarte toga’s hebben besloten dat de tijd een cirkeltje is, bochtje na bochtje maakt en 1973 weer uit de terp omhoog klopt. Ik word een echte groep patiënten in de wachtkamer van een abortuskliniek, die door de rechterlijke uitspraak wordt ingehaald, een klop op de deur hoort en kan vertrekken. Ik word de rechter Samuel Alito, die zegt dat er een ‘reusachtige fout’ is hersteld. Ik word de rechter Clarence Thomas die zegt dat het Hooggerechtshof nu ook andere beslissingen moet gaan heroverwegen. Ik word een meme op het internet, waarin de ene vliegtuigpassagier tegen de ander zegt dat bij een vlucht richting Amerika je je horloge vijftig jaar terug moet zetten.

En de terp is geen terp meer, maar een vulkaan, een fontein die modder en pus spuwt dat voor eeuwen en eeuwen lag opgeslagen, de sproeimond precies gelegen onder mijn bed.

Een oude bakkersvrouw

Ik word een blond meisje met schaaktalent in 1935, dat van haar ouders niet naar school mag omdat ze moet helpen sokken stoppen. Ik word een jongen die op jongens valt in 1878. Ik word een vrouw in een plaggenhut in 1745. Een man met kiespijn in 1628. Een hond met een gebroken rug in 1511. Een ridder met psychoses. De dochter van de slager met polio. Een hoefsmid met een klinische depressie. Een oude bakkersvrouw die pijn heeft, dood wil en niet dood mag van de dominee.

En honderden jaren geleden lag hier water en had iedereen natte voeten. Of eigenlijk had niemand natte voeten, het was een lange lap grijs water, een oneindig picknickkleed vol eenden en golven, maar vooral zonder mensen en vol niets. Ik wil dat kleed zijn. Ik wil liggen in dit bed en niet de zwaarte van eeuwen vol iedereen op mijn lichaam voelen drukken.

Ik wil op mijn rug naar het plafond kijken en dwars door het plafond naar de sterren, waar er voor miljarden jaren niets meer is en was en zal zijn dan wit brandend gas. Bloot zijn en beginnen, iets bedenken en een gedicht schrijven waar niets in gebeurt, nooit iets in is gebeurd, misschien niet langer dan drie woorden.

Een gedicht even zwaar als sneeuwvlokken die in water vallen, ogenblikkelijk smelten en verdwijnen.

Ik wil zwemmen in het water onder de terp, het niet koud hebben, geen bochtje tegenkomen maar vooruit gaan.

Een bos zonder wortels

4.

Op het plein voor ’t Anker staat een bos. Het is een groot bos, een echt bos en toch ligt het midden in de stad, op een plein dat op normale dagen volstaat met terrasstoelen en fietsen. De bomen van het bos zitten in bakken, die verrijdbaar zijn. Ik hoor een vader grappend tegen zijn dochter zeggen dat er misschien wel konijntjes zitten, want in elk bos zitten konijntjes. Een mevrouw zegt tegen de oudere, dementerende heer van wie ze de rolstoel duwt: „Kom, dan gaan we lekker in het bos wandelen.” De heer knikt en kijkt verrukt naar de bomen.

Het is druk in het bos. Het bos heeft geen wortels. Het is aan komen waaien als de pluisjes van een paardenbloem, toevallig op deze plek geland als een vloot papieren vliegtuigjes.

Laat ik het nu duidelijk zeggen: sommigen zeggen dat de tijd altijd een rondje is. Dat de dingen die vroeger gebeurden altijd opnieuw zullen gebeuren en dat we ons daarom constant bewust van de geschiedenis moeten zijn zodat we weten wat ons te wachten staat en we ons er op voor kunnen bereiden. En dat is waar en niet waar: de tijd wordt sóms een rondje. Ik geloof dat de tijd een lijn recht vooruit is, kan zijn, maar dat hij soms tot een hoepel wordt getrokken door de grote bult gedeeld verleden die aan ons trekt. Het is daarom goed om historici te hebben die kennis van de geschiedenis hebben wanneer diezelfde geschiedenis onze progressie krom trekt. Maar evengoed is het goed om kunstenaars te hebben die licht zijn, niet bepakt zijn met het verleden, maar vrijuit kunnen bedenken wat te doen. Ik wil een dichter zijn zonder wortels, eentje die kan vliegen, niet een dichter die met kilo’s erfgoed onder zijn kussen in slaapt probeert te vallen. Op die manier is een mooie droom dromen onmogelijk.

Want het bos werkt omdat het licht is. Het zal vast in de subsidievoorstellen hebben gestaan, lange verhalen over vergroening, sociale cohesie die terug moet keren in de urbane omgeving, een ode aan de geschiedenis toen Friesland nog vol bomen stond, maar het bos is mooi omdat het alleen het poëtische, paradoxale en vrolijke beeld van een bos zonder wortels is. Dát is waarom mensen in het bos komen wandelen. Want niet alleen ik wil licht zijn, leer ik in het bos, het lijkt alsof iedereen ernaar verlangt licht te wezen. Ik hoor iemand een merel nadoen. Ik zie iemand doen alsof hij een paasei vindt achter een boomwortel. Ik zie twee kinderen elkaar achterna zitten met een ingebeelde pijl en boog. Ik zie een moeder een boomstam aaien op het moment dat haar man even niet kijkt. Ik zie de demente man in de rolstoel naar het licht in de bovenste takken staren.

Ik wil dat kunstenfestivals als Arcadia plannen bedenken waarin ze aan schrijvers vragen wat ze morgen moeten ontbijten. Ik wil een subsidievoorstel lezen voor een culturele manifestatie waarbij ze schilders vragen wat er volgende week voor bloemen zullen bloeien. Ik wil een subsidievoorstel voor een plan waarbij dansers wordt gevraagd naar de mooiste manieren om te hinkelen. Ik wil vragen aan beeldhouwers wat voor vormen de wolken hebben over een miljoen jaar.

Dus leg mij voortaan niet te slapen op een terp, ik krijg er nachtmerries van, ik word een skelet, ik krijg last van mijn buik. Leg mij te slapen in een luchtballon. Leg mij te slapen in de lucht.

Joost Oomen (1990) is schrijver, dichter, theatermaker en columnist bij de Leeuwarder Courant. Dit jaar kwam zijn roman Visjes uit. Hij schreef dit essay voor het project De Baren, een onderdeel van Arcadia, het honderd dagen durende culturele programma in Friesland, dat dit weekeinde tot een einde komt. Zie ook: arcadia.frl

Nieuws

menu