De doar út

Bezweet en met zwarte vegen over zijn gezicht ploft mijn achttienjarige broer Hylke neer op de terrasstoel. Sinds een paar maanden werkt hij als hulp bij rietdekker Louis van Dijk. Ze beklimmen de mooiste boerderijen van Noardeast-Fryslân; leggen nieuw riet, restaureren de uilenborden of verwijderen het mos van de daken.

Anne-Goaitske Breteler.

Anne-Goaitske Breteler. FOTO LC

Het is bealgjen, maar Hylke heeft het naar zijn zin. Toch zijn het de laatste weken op metershoge ladders, want in september begint hij aan zijn studie geneeskunde in Amsterdam.

Na een pittige zoektocht heeft hij een kamer gevonden in Noord, van zo’n 12 vierkante meter. Hij is zelf 2.05 meter, dus veel ruimte heeft hij er niet. Maar erg kieskeurig kan hij niet zijn, want naast hem zijn er duizenden anderen die op een plekje in de hoofdstad azen. Enerzijds kijkt Hylke uit naar de nieuwe fase in zijn leven, anderzijds heeft hij moeite met het achterlaten van zijn bekende Friesland.

Mijn broertje houdt ervan om buiten te zijn, om mee te gaan met de jagers uit het dorp, om te klussen rondom de boerderij van mijn ouders. Hij is dan ook vastbesloten: eens zal die boerderij van hem worden. Nu een paar jaar naar de stad, maar zodra het kan, linea recta terug naar Nes. Maar dat leven in de drukte, stelt hij het liefst nog wat langer uit. Op de vraag wat hij nodig heeft voor de uitzet, krijg ik niet echt een antwoord: ,,Oh, dat komt noch wol.’’

Na wat stedelijke beproevingen, met inmiddels vrienden om me heen, wende het uiteindelijk toch

Hij gaat een bus huren voor de verhuizing, en het rijden daarin lijkt hem volgens mij leuker dan de uiteindelijke bestemming. Mijn moeder en ik gaan mee, om te tillen, schoon te maken en om de kamer alvast een beetje tot een ‘thuis’ te maken. We zijn inmiddels goed op elkaar ingespeeld, want we deden dit al zes keer eerder tijdens mijn studententijd in Amsterdam.

Mijn moeder dacht Hylke te kunnen motiveren door alvast wat uitzet te verzamelen. Maar de boodschappentas met kopjes, theedoeken en bestek staat er nog onaangeroerd bij. Het hele proces doet me denken aan mijn ‘uit huis gaan’. Mijn ouders en Hylke brachten me naar Amsterdam, waar ik mijn spulletjes onwennig uitpakte. Na de koffie liepen we zwijgend terug naar de auto. Zij vertrokken, ik bleef. Dikke tranen liepen over mijn wangen toen ik ze uitzwaaide.

Eerder schreef ik al eens dat het gezin door antropologen gezien wordt als de kleinste samenleving. Eentje die dus makkelijk te ontwrichten is. Het ‘lege-nestsyndroom’, voor ouders die hun kinderen missen, is een bekende, maar om als kind weer naar dat nest terug te verlangen, dat wordt minder vaak besproken. Ik weet nog dat ik in die eerste weken regelmatig googelde of die heimwee ooit voorbij zou gaan. En na wat stedelijke beproevingen, met inmiddels vrienden om me heen, wende het uiteindelijk toch.

Misschien gaat Hylke het leven op het platteland nog sterker missen, maar gelukkig kan de trein hem daar in de weekenden snel naartoe brengen. Voor nu stapt hij liever nog even in de grijze bus met ‘Rietdekker van Dijk sinds 1868’ erop. Hij kijkt vooruit, maar niet te ver. Eerst nog maar op vakantie met zijn vrienden. Opdat het maar een lange zomer mag worden.

agbreteler@gmail.com

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie
Column