Boer moet en kán ook extensiveren | opinie

‘Er is sinds de jaren negentig qua milieu veel ten goede veranderd in de Nederlandse landbouw.’ FOTO ANP

Eindelijk erkent de overheid dat de Nederlandse natuur in zorgwekkende staat verkeert. Om het tij te keren is een omschakeling in de landbouw nodig. Kansen genoeg.

De voedselschaarste tijdens de oorlog indachtig, werden boeren door de naoorlogse kabinetten, en vanaf 1962 door de Europese Commissie, aangezet te intensiveren en te specialiseren om de productiviteit te verhogen. Door voorlichting en onderwijs werden zij aangemoedigd de nieuwste landbouwmethoden en technieken toe te passen en kunstmest, bestrijdingsmiddelen, krachtvoer, en eiwitrijk gras te gebruiken.

Ook werden op uitgebreide schaal ruilverkavelingen opgezet, werd schaalvergroting gestimuleerd en werden afwateringssystemen ontwikkeld om de grondwaterstand te verlagen, grondbewerking te vergemakkelijken en seizoensverlenging te bevorderen.

Met boetes en grondonteigening werden boeren die zich tegen de ruilverkavelingen verzetten, in het gareel gedwongen. Dit alles werd overgoten met forse subsidies.

Sympathie van de consument

Bovendien hoefden de boeren zich geen zorgen te maken over overschotten. Deze werden door Brussel opgekocht met als gevolg uitdijende boterbergen en melkplassen. Wanneer hiervoor intern geen oplossingen werden gevonden, werden de overschotten gedumpt in de ontwikkelingslanden met desastreuze gevolgen voor de inheemse boeren.

Ook over concurrentie van buiten de EU hoefden de boeren niet in te zitten omdat importen gereguleerd werden door quota’s en invoerrechten.

Het overheidsbeleid werd ondersteund en gefaciliteerd door de banken met gunstige financieringsvoorwaarden, de agro-industrie, de zuivelcoöperaties en de supermarkten. Ook konden de boeren rekenen op sympathie van de consumenten, omdat zij altijd voldoende voedsel leverden van zeer hoge kwaliteit tegen een zeer lage prijs.

Nadelige gevolgen

De nadelige gevolgen van de intensieve bedrijfsvoering ervaren we al sinds de jaren zeventig. Niet alleen de kwaliteit van natuur, landschap, water en biodiversiteit is sterk achteruitgegaan, maar ook de gezondheid van mens en dier wordt hierdoor aangetast.

Daarnaast draagt de intensieve bedrijfsvoering bij aan klimaatverandering en bedreigt deze de import van grondstoffen als soja en de biodiversiteit in ontwikkelingslanden in Zuidoost-Azië en Latijns-Amerika.

In het nationale en het Europese landbouwbeleid speelden natuur, milieu en landschap aanvankelijk een ondergeschikte rol. Pas sinds de negentiger jaren komt de bescherming van het milieu in beeld en vanaf 2013 worden klimaatverandering en het duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen als volwaardige doelstellingen erkend, naast de hoofddoelstelling van de productie van voedsel van goede kwaliteit tegen een zo laag mogelijke prijs.

Meer doen

Er is sinds de jaren negentig qua milieu veel ten goede veranderd in de Nederlandse landbouw, zoals onder meer blijkt uit het feit dat de stikstofuitstoot sinds 1990 meer dan gehalveerd is (WUR, Stikstofdossier, 2020). Maar voor een wezenlijke verbetering van het milieu en een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen zal nog veel meer gedaan moeten worden.

Zo stagneerde sinds 2010 de reductie van de stikstofuitstoot onder de opeenvolgende kabinetten Rutte. Mede dankzij een sterke landbouwlobby wonnen partijpolitieke belangen het steeds van het maatschappelijk belang. Dankzij de uitspraak van de Raad van State in 2019 is het huidige kabinet evenwel gedwongen om de stikstofuitstoot drastisch te reduceren.

Omdat de landbouw gewend was dat de politiek altijd boog voor haar wensen, zijn de drastische kabinetsplannen de boeren rauw op het dak gevallen. Van de ene op de andere dag werden hun door de overheid rijkelijk gesubsidieerde groeiplannen doorkruist door de plannen van diezelfde overheid, maar nu in de vorm van krimp van de veestapel met bedrijfsverplaatsing, bedrijfsbeëindiging of een op de natuur afgestemde bedrijfsvoering tot gevolg.

Perspectieven en kansen

Eindelijk erkent de overheid dat de Nederlandse natuur in een zorgwekkende toestand verkeert en dat voor het herstel ervan een forse beperking van de stikstofdeposities noodzakelijk is. Als belangrijkste stikstofbron zal de landbouw een forse bijdrage moeten leveren, zoals voorzien in de kabinetsplannen.

Maar de kabinetsplannen bevatten ook een aanzienlijke financiële ondersteuning van 25 miljard euro. Dit bedrag biedt perspectieven en kansen voor de landbouw in de vorm van omschakeling naar bedrijfsvoeringen met minder stikstofuitstoot, zoals circulaire, natuurinclusieve of biologische landbouw, bedrijfsverplaatsing of bedrijfsbeëindiging.

Bovendien overlegt het kabinet met bedrijven in de landbouwketen die destijds de intensivering hebben gefaciliteerd maar nalieten te wijzen op de nadelige effecten van een intensieve bedrijfsvoering, over het creëren van een gezond verdienmodel voor de boeren. Uit cijfers blijkt dat de boeren slechts in geringe mate delen in de winsten die in de landbouwketen worden gerealiseerd.

Streep door vergunningen

Afgaand op het succes van de transformatie van de Nederlandse landbouw van een kleinschalige, laagproductieve landbouw naar een van de meest moderne en meest productieve ter wereld, is de uitvoering van de kabinetsplannen technisch en economisch haalbaar.

Dit geldt niet voor de in omloop zijnde alternatieve plannen in de vorm van technische aanpassingen, zoals de installatie van emissiearme stalvloeren. Onderzoek wijst uit dat de reductie van de stikstofemissie in de praktijk aanzienlijk geringer is dan fabrikanten claimen. Daarom heeft de Raad van State onlangs een streep gehaald door de natuurvergunningen verleend aan drie boeren met een emissiearme stal.

Verder is reductie van de veestapel nodig vanwege de vereiste aanpak van andere milieuproblemen. Het gaat dan met name de verbetering van de waterkwaliteit en de biodiversiteit, de reductie van de uitstoot van broeikasgassen en de opslag van overtollig water.

Dat laatste moet leiden tot hogere grondwaterstanden in het voorjaar, waarmee de neerslagtekorten in de steeds warmere en drogere zomers kunnen worden aangevuld

Jeltsje van der Meer-Kooistra en Henk Folmer, respectievelijk hoogleraar financieel management en ruimtelijke economie aan de Rijksuniversiteit Groningen

Nieuws

menu