Reisverslag van twee oude mannen die fietsen naar het einde van de wereld. Dag 28 van Luuk: 'Zijn we zo serieus? Wat is dat eigenlijk, heel serieus?'

Henk Hofstra en Luuk Hajema – allebei de 60 gepasseerd – op de fiets voor een lange tocht naar Finisterre aan de Atlantische Oceaan. Daar waar de wereld ophoudt. Voor Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant houden ze dagelijks een reisblog bij. Sjon Stellinga fietste 26 dagen mee en keert nu huiswaarts.

Reisverslag van drie oude mannen die fietsen naar het einde van de wereld. Dag 28.

Reisverslag van drie oude mannen die fietsen naar het einde van de wereld. Dag 28.

Lees meer over
Eropuit

We zijn inmiddels zo ver op weg dat bijna alles in alle plaatsjes die we passeren in het teken van de Camino de Santiago staat - zo heet onze pelgrimsreis in Spanje. Winkels, café’s, hotels, borden: het hele straatbeeld. Overal zie je de Jacobsschelp en overal zie je de naam Santiago. Langs de autowegen in fel geel en blauw, op glimmende borden, gesubsidieerd door de Europese Unie. Op gevels en pleinen en in etalages op alle mogelijke manieren. En bijna iedereen die hier niet woont, loopt de Camino. Je herkent de pelgrims aan hun robuuste schoenen, en overdag aan hun rugzak.

Alleen de kinderen doen niet mee. Op het grote plein voor de kerk in Estella zitten de meisjes op bankjes met hun mobiele telefoon te spelen. Het is zeven uur ‘s avonds. Alle jongetjes - een stuk of twintig - zijn aan het voetballen. Kom daar in Nederland eens om! Onbestaanbaar.

Een jongetje in een shirt van Barcelona verdedigt het doel, dat wordt begrensd door een bankje en een lantaarnpaal. Hij is niet te beroerd om gestrekt naar de hoek te gaan - alsof hij zich op een zachte grasmat vlijt, in plaats van op keiharde natuursteen.

De stroom pelgrims wordt steeds dikker, hier op een kleine 700 kilometer van Santiago de Compostela.

Vanmiddag, vlakbij het historische stadje Puente la Reina troffen we een fietser uit Weesp. En zo-even raakte ik aan de praat met een Nederlandse vrouw die de Camino voor de tweede keer loopt. Dit jaar vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port, samen met haar vriend.

De vorige keer, in 2019, was ze in Bordeaux begonnen. Toen liep ze ‘heel serieus’, en had ze de afstand naar Santiago in twee maanden overbrugd. En ze had er hard voor getraind.

Nu loopt ze ‘voor de lol’, en heeft ze te weinig tijd om de hele afstand te voltooien. Morgen gaat ze een eindje met de bus, vertelde ze, terwijl ze een sangria bestelde, om wat tijd te winnen, en een stuk te vermijden dat haar niet was bevallen de vorige keer. Dagafstanden van meer dan 22 kilometer doet ze niet meer, want daarvan kreeg ze last van ‘tunnelvisie’: dan staat alles in het teken van het lopen.

‘Jullie zijn zeker heel serieus,’ zei ze, toen ik vertelde dat Henk en ik nu precies vier weken onderweg zijn, in Groningen zijn begonnen, en vandaag bijna 100 kilometer hebben gefietst.

Ik vroeg het Henk. Hij moest er even over nadenken. ‘We zijn mild serieus,’ was zijn conclusie. ‘We willen mooie dingen zien en stempels halen, maar we zijn niet door en door religieus of zo.’

Toch blijft het me bezig houden. Zijn we zo serieus? Wat is dat eigenlijk, heel serieus? We zouden nooit een stukje met de bus of de trein gaan, dat staat vast - zoiets doe je niet. En als we heel serieus zijn, is dat dan erg? Krijgen wij dan ook een tunnelvisie?

menu