Reisverslag van drie oude mannen die fietsen naar het einde van de wereld. Dag 13 van Sjon: 'Hevig toeterend slingerde het busje naar de linkerrijbaan'

Sjon Stellinga, Henk Hofstra en Luuk Hajema – alle drie de 60 gepasseerd – op de fiets voor een lange tocht naar Finisterre aan de Atlantische Oceaan. Daar waar de wereld ophoudt. Voor Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant houden ze dagelijks een reisblog bij.

Hoofdfoto: Corné Sparidaens. Carrousel: fietsfoto's van Henk, Sjon en Luuk

Lees meer over
Eropuit

En dan weet je het weer, het kan ook mis gaan. Het ging niet mis, net niet, maar het scheelde niet veel. Een waarschuwing, een narrow escape. Natuurlijk ga je er bij het dromen en plannen maken van uit dat alles goed gaat. Een in het zadeltasje gepropt reserveband is genoeg voorzorg tegen ongemak.

En eigenlijk vinden we zelfs dat al overbodig, je gaat er immers niet van uit dat het mis kan gaan. Dat het materiaal je in de steek laat, iemand buikgriep krijgt (ook zo’n vakantiekwaaltje van weleer dat inmiddels uitgestorven lijkt) of, nog erger, dat iemand een ongeluk krijgt.

Nu is de kans op dat laatste ook niet zo groot. Al in het zuiden van Nederland stonden we voor het eerst voor een rood stoplicht in een uitgestorven landschap. Geen mens, laat staan een voertuig, in de wijde omtrek. Ik reed dus door en constateerde pas na honderd meter dat ik alleen was. Mijn vrienden, beiden gezegend met een imposante ambtelijke achtergrond, stonden nog steeds op het verlaten landweggetje naar het rode licht te staren. Het zal duidelijk zijn, met zo’n instelling krijg je niet gauw ongelukken. Er zijn groter waaghalzen.

De korte binnenbocht

En daarom schrok ik vandaag zo. We hebben ruim honderd kilometer naar het dorpje Néret afgelegd. Het was heerlijk fietsweer en we kwamen niet al te veel hoogtemeters tegen dus we reden gemoedelijk keuvelend door het fraaie en vriendelijke landschap.

In de middaguren naderden we, zoals dat elke dag tientallen malen gebeurt, een voorrangsweg. Alle drie wisten we dat we rechtsaf moesten. Gewoon even naar links kijken, zonodig een moment afremmen of zelfs helemaal stil staan en dan de korte binnenbocht. Zoals honderden keren daarvoor.

‘Gedurfd’

Één van mijn vrienden reed voorop, de ander en ik naast elkaar een meter of drie, vier daarachter. Stapvoets, vijf kilometer per uur. Hooguit tien. En toen... reed de voorste de voorrangsweg op. Zomaar. Terwijl er een busje aankwam. Een busje dat met een rotgang over die departementale weg jakkerde. Hevig toeterend slingerde het busje naar de linkerrijbaan, daarna nog een paar auto’s die woedend naar ons keken. Mijn hart sloeg een slag over, mijn buurman was even stil. Toen verbrak hij de stilte met een nuchter “Gedurfd!”.

Onze vriend fietste inmiddels een meter of dertig voor ons dus we moesten even aanzetten om hem bij te halen. We hebben het er vreemd genoeg niet meer over gehad met z’n drieën. Ach, wat moet je ook zeggen over iets dat zo duidelijk is? En als er niets over te zeggen valt kun je het er misschien ook maar beter niet over hebben.

Want laat het glashelder zijn, vanaf nu zijn we alledrie nog voorzichtiger en ik heb me voorgenomen ook voor rode stoplichten op verlaten landweggetjes te wachten.

Nieuws

menu