Schippersfamilie uit Drachten in uniek boek: met zeil, 'yn 'e line' en opduwer

Omslagfoto van het boek, met beppe en mem van de auteur. Foto: Collectie Arjen Bosgraaf

‘Het reilen en zeilen van een Drachtster schippersgezin, geschiedenis van een varende onderneming van 1919 tot 1963’. Een boek over kleine binnenvaartschepen en een Friese schippersfamilie. Arjen Bosgraaf uit Oudega ging er uitgebreid ‘voor zitten’ en na ruim tien jaar is het klaar. Een kroniek over zijn eigen familie, die de vracht door vaarten, kanalen en wijken vervoerde.
Lees meer over
Smallingerland

Bosgraaf woonde vanaf zijn jeugd in Drachten, is een paar keer verhuisd, en woont inmiddels 34 jaar in Oudega. Dat hij een boek over de geschiedenis zou schrijven, is niet verwonderlijk. „Ik begon mijn loopbaan als onderwijzer en ging later naar het voortgezet onderwijs, in Drachten, als docent geschiedenis. Je zou kunnen zeggen, geschiedenis is een hobby, maar het was ook mijn werk. Andere hobby’s zijn wel annex, ik heb altijd interesse in het verleden gehad.”

„Ik ben ongeveer tien jaar met het boek bezig geweest, de eindfase werd door coronaperikelen versneld. Immers, minder sociale verplichtingen. Als je jong bent, vind je deze geschiedenis vanzelfsprekend, je was er zelf onderdeel van. Ik ging mee om een vracht turf, herinner mij dat wel. Mem is op het schip geboren, ook dat vond je maar heel gewoon. Er is een familiearchief, met daarin ook ook de administratie van alle reizen. Maar van de periode 1919-1944 summier, heel jammer. Die gegevens heb ik op andere manieren moeten achterhalen.”

„Ik had het geluk dat een tante en oom, schipperskinderen, nog leefden. Ik heb ze ettelijke keren geïnterviewd, ook over de vooroorlogse periode. Verder is er een flink aantal oude brieven, en natuurlijk archieven. Tresoar, streekarchief Hoogezand, gemeentearchief te Drachten en Burgum, Groninger Archieven.” Aan fotomateriaal was ook geen gebrek. „We hadden zelf het nodige, en ik heb neven en nichten opgezocht. Veel zijn in het boek gekomen, en er zijn ook veel bijlagen.”

Zuiderdwarsvaart

De Fries raakte geboeid door de historie van het schip van zijn pake en beppe. „Als je je daarmee bezighoudt, zie je nog steeds nogal aardig wat kenmerken uit die tijd van kleine binnenvaartschepen. Als je op de fiets stapt, bijvoorbeeld in de Kop van Friesland of in Klazienaveen. Je ziet gewoon het verleden in het landschap terug, zo wonderbaarlijk. Pake en beppe die vroeger met hun schip met steenkool door de Zuiderdwarsvaart in Drachten voeren, en dan via een kleinere wijk verder. Ze leverden aan de zuivelfabriek in Olterterp, die had steenkool nodig voor stoommachines.”

Praam

Nood breekt wet, dat geldt ook voor het schippersgezin. Aan het begin van de Zuiderdwarsvaart woonden de heit en mem van pake. Hij had pramen in de verhuur, daar kon het zwaarbeladen schip een gedeelte van de lading in kwijt en werd het weggebracht naar de zuivelfabriek te Olterterp, Eerst de praam leeg, want die kostte geld. Daarna kon schip door. In Boornbergum staat de zuivelfabriek er nog, zij het met andere bestemming. Ze voeren de Drait langs, met een lading steenkool. Dat was vanaf 1919, met diverse producten en grondstoffen.”

Ook werd turf vervoerd. „Niet het hele jaar, op een gegeven moment moest op een andere vracht worden overgegaan, omdat eerst nieuwe turf op het veld moest drogen. En als er geen turf was, voeren ze met bieten. Er was een uitgekiend programma van wat wanneer opgehaald werd. Bieten in het najaar als de campagne begon, in een volstrekt ander traject. Bijvoorbeeld vanuit Oosterbierum of Berltsum naar de bietenfabriek ,eerst te Franeker, later naar Hoogkerk” vertelt Bosgraaf.

‘Niet te bevatten’

De tjalk kon 60 ton vervoeren. Ze vervoerden ook compost, van de Dwinger (vuilstort) in Leeuwarden, naar veenkoloniale dalgronden. Die gronden waren namelijk niet erg vruchtbaar”, weet de Drachtster. Hindernissen waren er vele, nog afgezien van de vele bruggen en sluizen. „Tussen Haulerwijk en Veenhuizen had je vroeger een dam in de vaart op de provinciegrens. Die ging er pas rond 1900 uit, toen kwam er een sluis. In de Opsterlandse Compagnonsvaart kwam in 1893 de Damsluis. Bij de dam moest de vracht worden overgeladen.” Het waren dus vroeger geen doorgaande routes.

De crisis in de jaren ‘30 was een ramp voor de schipperij. „Ze moesten voortaan naar Harlingen of Makkum, naar de beurs. In plaats van een café waar de vrachten werden verdeeld, moesten ze naar het beursgebouw. Had je een schip van 60 ton, en er was vracht , kon je ‘mijn’ zeggen. Dan kreeg je de vracht, of die kon ook naar een schipper met een lager nummer gaan. Zo ging er wel een lading basaltblokken naar Wetsinge, of hout naar Delfzijl.” Een eigenschipper voer echter liever niet voor de beurs. Je had je trots.”

Op het droge

Vervoer over water kende meer hobbels. Zoals de slecht beheersbare waterstand. „In de tijd dat de dammen er uit gingen, was het gebied van de Drentse Veenkoloniën al minder interessant vanwege steenkool en petroleum. Er werd minder gevaren, dusook minder onderhoud gepleegd aan vaarwegen en bruggen, of je had lekke sluizen. Soms lag in de Drachtster Compagnonsvaart een schip nagenoeg op het droge”, benadrukt Bosgraaf. Verschillende belangen van vandaag de dag, waren er toen ook al. „Boeren wilden vaak lage waterstand, schippers juist hoog. Die trokken aan het kortste eind. Beppe en de kinderen moesten vaak de tjalk ‘yn é line’ trekken. Later hadden ze een klein motorbootje, een opduwer.”

Voor die tijd had je de periode van de zeilvaart. Bij stoom was een enorme motor nodig, dat was voor kleinere schepen niet praktisch. „Pake en beppe begonnen met zeilen, en kochten in 1934 de opduwer bij Gorter in Hoogezand. Er was vrees bij de schippers voor nieuwe ontwikkelingen, zo is er een verhaal uit Zwartsluis, daar lagen tientallen schepen te wachten op de juiste windrichting. Toen kwam er een eigenwijze schipper met opduwer, tegen de wind in. ‘Dat komt vast niet goed, zo’n klein bootje’, dachten ze. Maar de schipper kwam later leeg terug. Terwijl de andere schippers nog op gunstige wind lagen te wachten. Ze konden met de opduwer altijd varen. Zo’n bootje maakte wel flink wat lawaai, ze moesten dus luid praten. Pake raasde daar om en Berendje ook. Toen ze later in hun huis woonden, was het ‘het mag wel wat zachter’.

Sterke vrouw

Een andere hulpaandrijving was de zijschroef, maar dat was praktisch lastiger. Vooral bij sluizen De eerste skûtsjes en tjalken hadden geen kajuit. Het gezin woonde aan de wal, slapen kon wel onderdeks. Vanaf 1880 werd het vergunningstelsel afgeschaft, toen voeren ze overal naar toe. „Jullie moeten ook maar aan boord, dan kunnen we het huis verkopen. Dus moest er een kajuit op, en daar had je soms hele mooie bij!” Nogal wat schippers hadden ook een brandstoffenhandel. ‘Oerpake en -beppe gingen na hun varend bestaan, aan de Zuiderdwarsvaart wonen, ze hadden een brandstoffen handel en dus een huis nodig.”

Anne Woudwijk, kleinkind van Gerben en Berendtje en Drachtster kunstenaar, heeft tekeningen gemaakt voor het boek. De omslagfoto van het boek heeft Bosgraaf met zorg gekozen. „Het is een foto met mijn beppe en mem. Het gaat vaak over sterke, stoere schippers. Maar beppe wist ook wel wat ze wilde, een sterke vrouw. Ze liep yn ‘e line’”, verwijst hij naar het touw waarmee de tjalk getrokken werd.

„Het boek gaat over de mensen, maar ook over het schip. Er is ook een hoofdstuk over religie, want nogal wat schippersfamilies waren eigenzinnig wat hun godsdienstige beleven betreft. Walbewoners noemden schippers vaak de zigeuners van het water.” In vroeger jaren was er ook al sprake van pleziervaart. „In een slappe tijd maakten ze het ruim goed schoon en dan voeren mensen ‘van gegoede stand’ mee, die gingen zo een week op vakantie..”

Het in eigen beheer uitgegeven boek is vanaf oktober/november verkrijgbaar bij Boekhandel Van der Velde in Drachten en bij de auteur. Voor info:mail: jenabosgraaf@gmail.com of telefoon 0512-372021.

Twee schipperskinderen

Twee schipperskinderen, Gerben Beijert uit Drachten en Berendtje Boom uit Eastermar, besluiten in 1919 een gezin te vormen en net als hun ouders een varend bestaan op te bouwen. Ruim veertig jaar lang varen ze in de drie noordelijke provincies, met turf, compost, steenkool en bieten. Ze beginnen met een skûtsje maar stappen al snel over op een grotere tjalk. Hun Nova Cura is een vrachtschip zonder motor.

Op de trajecten waar ze niet kunnen zeilen, trekt Berendtje of een ingehuurde jager het schip. Vanaf 1934 varen ze met een klein duw- en trekbootje: een opduwer. Ze doorkruisen heel Noord-Nederland: van Emmer-Erfscheidenveen naar Jonkersvaart, van Olterterp naar Tzummarum, van Wetsinge naar Harlingen en Makkum. Steeds weer keren ze terug naar hun vaste thuishaven Drachten.

Ze krijgen vier kinderen die aan boord opgroeien. Taeke, Trijntje, Bontje en Johannes gaan naar school in de dorpen waar gelost en geladen wordt. Als ze ouder zijn, worden ze in kostgezinnen in Drachten geplaatst zodat ze naar een vaste school kunnen. Alle vier kiezen ze uiteindelijk voor een bestaan ‘aan de wal’. Daarmee breken ze met een traditie die binnen de familie al generatie op generatie werd overgedragen. Gerben en Berendtje zijn de laatsten die varen.

Het verhaal van Gerben en Berendtje wordt verteld tegen de achtergrond van de crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog. Het is het verhaal van een schippersgezin in een snel veranderende wereld. In de jaren vijftig verdwijnt stilaan de beroepsgroep van kleine binnenvaartschippers.

Ook het landschap waar ze doorheen varen verandert . De turfafgravingen in Zuidoost-Drenthe komen ten einde. Op de achtergrond voltrekt zich de energietransitie van turf naar steenkool. In 1963 vestigen Gerben en Berendtje zich net als hun kinderen aan de wal. Hun schip, de Nova Cura, krijgt nieuwe bestemmingen. Dit verhaal wil een eerbetoon zijn aan deze familie en daarmee aan alle schippers die met vallen en opstaan hun bestaan opbouwden.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Smallingerland