Vondsten Harlinger schipper maken scheepsleed tastbaar

Johannes Leenderts herleeft in zijn geboortstad. In het Hannemahuis in Harlingen en het Fries Scheepvaart Museum in Sneek is de komende maanden een bijzondere tentoonstelling te zien over zijn in 1791 vergane kofschip in de baai van Gdansk.

,,Het is alsof je de hem een hand kunt geven of letterlijk in zijn schoenen kunt staan. Ik heb al veel gezien, maar toen we deze spullen in Sneek uitpakten kreeg ik echt kippenvel.’’ Meindert Seffinga, directeur van het Fries Scheepvaart Museum is meer dan verguld met de dubbelexpositie die hij in samenwerking met collega Hugo ter Avest van het Harlinger museum het Hannemahuis over de laatste reis van de Jonge Seerp van de Harlinger schipper Johannes Leenderts heeft opgezet. ,,Kijk deze want, je kunt de breisteken gewoon zien.’’

 

Gezonken kofschip

In beide musea liggen in totaal honderd uiterst goed geconserveerd gebleven voorwerpen uit het in 1791 gezonken kofschip. Letterlijk in het zicht van de haven verdween het hoekige kustvaartscheepje van de Harlinger schipper Johannnes Leenderts in de diepte na een aanvaring in een hevige storm. Duikers van het Nationaal Maritiem Museum in Gdansk stuitten op 10 augustus 1985 op 26 meter diepte in de baai van de Poolse havenstad op het wrak. Wrak 27 werd het genoemd.

De kust van de Oostzee ligt bezaaid met honderden scheepswrakken uit de 17e en 18e eeuw. ,,De kustvaart langs de Europese grenzen en de Baltische staten, met kofschepen en smakken, was belangrijker dan VOC en WIC. Het was eigenlijk de kurk waar de welvaart van de Gouden Eeuw op dreef. Het stond ook in hoger aanzien’, stelt Seffinga. Een groot gedeelte van de vloot is afkomstig uit Friesland. Van vrijwel geen van de tientallen wrakken die bij Gdansk zijn gevonden is bekend waar het vandaan kwam of wie de schipper was.

Teruggevonden huisraad van De Jonge Seerp

In dit geval vonden de duikers echter opvallend veel huisraad uit de kombuis; pannen, potten, ketels, een koffiemolen, aardewerk. Ook een flink aantal persoonlijke voorwerpen, zoals een leren schoen met gesp, een luizenkam, scheermes, tabaksdoos en zelfs een signet met de initialen JL (zegelstempel dat vaak aan een horloge werd gedragen) en, niet meer dan een vierkante centimeter groot, een stuk van het lakzegel met het wapen van Harlingen werd uit het water gehaald. Van het schip zelf was weinig meer over. Wel nog vond men een bordje met het opschrift ‘jonge seerp’, maar daarmee was de puzzel nog niet gelegd.

Door de combinatie van minder zout en zuurstofarm water in de monding voor Gdansk zijn de vondsten in bijna tweehonderd jaar op de bodem van de zee te hebben gelegen nauwelijks aangetast. Daarnaast zijn de medewerkers van het Poolse museum uitermate bedreven in conserveringstechnieken, zegt Ter Avest. ,,Die mensen hebben een enorme liefde voor hun werk.’’

De toevallige vondst in het archief van de Stad Gdansk van een processtuk over de aanvaring tussen een Harlinger en Engelse schipper maakte pas in 2011 duidelijk dat Wrak 27 de Jonge Seerp moest zijn. Leenderts wist zijn schip in de woeste zee niet op koers te houden, waarna hij werd geramd door het Engelse schip Recovery . Kapitein John Campion en zijn bemanning redden de Harlinger opvarenden uit zee.

Hoekige bakken met veel laadvermogen

,,Kofschepen hadden nauwelijks een kiel en waren met slecht weer moeilijk te besturen. Het waren hoekige bakken met veel laadvermogen, maar goed zeilbaar waren ze niet’’, weet Seffinga. Campion heeft nog geprobeerd zijn koers te verleggen, maar dat mocht niet baten. Hij werd schuldig bevonden omdat hij zijn grootzeil over stuurboord had en Leenderts voorrang had moeten geven. Overigens had Campion geen hoge pet op van de Harlinger bemanning. Ze zouden veel te snel het schip hebben verlaten. Ook zou Leenderts niet als laatst de Jonge Seerp hebben verlaten.

 

De Harlinger schipper, in 1757 geboren als zoon van scheepstimmerknecht Leendert Johannnis, bleef ook na het ongeval varen. Zijn reders hielden het vertrouwen in zijn vakmanschap, die hem vanaf jonge leeftijd naar tal van havens in Spanje, Frankrijk, Engeland, Portugal, Noorwegen, Polen en de Baltische staten hadden gebracht. In 1779 stond hij al op zijn 22e als schipper geregistreerd. Rond 1814 stopte hij als schipper en werd havenmeester in Harlingen. In 1818 stond hij mede aan de wieg van de oprichting van de zeevaartschool. Leenderts, die zijn achternaam in 1811 op last van het Franse gezag veranderde in Stuf, overleed in 1828. Zijn 24-jaar jongere weduwe Trijntje kreeg het grootste deel van de erfenis, 3707 florijnen. Kinderen had het echtpaar niet en ook in een eerder huwelijk bleef Leenderts kinderloos.

Gewapende beveiliger

Dat de twee Friese musea nu de bijzondere vondsten uit het Nationaal Maritiem Museum mogen tentoonstellen, is tamelijk uniek. ,,Het maakt deel uit van hun vaste collectie. Gewoonlijk krijg je dan iets uit het depot, maar wij mochten vragen wat we wilden’’, aldus Seffinga, die ruim een jaar geleden het idee voor de tentoonstelling lanceerde. ,,Het feit dat Leeuwarden-Friesland in 2018 Culturele Hoofdstad is, heeft daar ook aan bijgedragen. Daarmee krijgen we nu wel dingen gemakkelijker los, merk ik.’’

 

Het vervoer van de voorwerpen was al even opmerkelijk. ,,Er moest beslist iemand van ons meerijden. Bij het inpakken van de items waren zes mensen aanwezig, die ieder item nauwgezet documenteerden. In het Pools én het Engels. Tot aan de grens met Duitsland reed zelfs een gewapende beveiliger mee’’, vertelt Ter Avest. ,,Ze hebben daar iets te vaak meegemaakt dat een lading werd gestolen en vermoedelijk naar Rusland verdween.’’ Na 17 uur in de bestelwagen te hebben gezeten, stapte Ter Avest geradbraakt maar voldaan in Harlingen uit. ,,Voor de terugreis adviseer ik wel om een rugkussen mee te nemen.’’

Link met Sneek

De tentoonstelling heeft zelfs nog een linkje tussen Sneek en Harlingen: op de bodem van de Oostzee vonden duikers ook fraai houtsnijwerk dat afkomstig was van de Jonge Seerp . Het in Rococostijl uitgevoerde werk toont duidelijke kenmerken van de uit Duitsland afkomstige Johann Georg Hampel, die in 1761 in Sneek het stadhuis decoreerde. Toen het werk er op zat en hij met een Sneker meisje was getrouwd, vertrok hij naar Harlingen. Daar verwachtte hij veel klandizie. Niet alleen in woonhuizen, maar vooral ook op scheepswerven.

 

Een droom aan duigen is te bekijken in het Hannemahuis in Harlingen tot en met 6 september 2018 en Weer boven water in het Fries Scheepvaart Museum in Sneek tot en met 7 oktober 2018.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland