Ook stinzeplantjes passen in het Waddenlandschap.

Holwortels in de Martenatuin in Franeker. Foto Ben Bruinsma

Met kleurige bloemen vertolken bol- en knolgewassen ieder voorjaar de geschiedenis van stinzen en staten. Dat houden ze eeuwen vol, als alles klopt.

Het Haarlems klokkenspel komt in bloei. Het verschijnen van de witte bloempjes, met zoveel kroonblaadjes dat er geen plaats is voor meeldraden, is voor de liefhebbers van stinzenplanten een jaarlijks hoogtepunt. En die liefhebbers zijn, net als eeuwen geleden, tot in hoge kringen te vinden. Henk Buith, voorzitter van de Stichting Martenastate in Koarnjum, herinnert zich dat er een paar jaar geleden nog werd gebeld door Herman van Rompuy, oud-premier van België en oud-voorzitter van de Europese Raad. Die wilde weten of het al tijd was om af te reizen naar Friesland.

In onze provincie is het Haarlem klokkenspel rond deze tijd op vijf plaatsen te bewonderen, met Harsta State in Hegebeintum en Martenastate in Koarnjum als hotspots. Dat is te lezen in het pas verschenen boek Stinzenplanten in Fryslân, waarin een tabel in een oogopslag duidelijk maakt hoe 18 erkende stinzenplanten zijn verdeeld over 27 historische vindplaatsen op stand. Die variëren van terreinen rond (voormalige) stinzen en states en tuinen van notabelen tot kerkhoven, parken en bijzondere bospercelen.

Het is te danken aan de gelauwerde Sneker natuurbeschermer en florist Douwe Taeke Engelbertus (D.T.E.) van der Ploeg (1919-2006) dat alle Friese vindplaatsen van deze bol-, knol- en wortelstokgewassen sinds halverwege de vorige eeuw nauwkeurig zijn geregistreerd. Van der Ploeg schreef er twee gezaghebbende boeken over. Zijn spitwerk vormde in 2008 de basis voor Stinzenflora yn Fryslân. Dit boek, niet meer verkrijgbaar, is nu volledig geactualiseerd en uitgebouwd tot  Stinzenplanten in Fryslân

 

Deze keer namen It Fryske Gea en Stichting Martenastate het voortouw voor de uitgave, waaraan negen auteurs meeschreven. Henk Buith, een van de samenstellers, karakteriseert het doorgroeiproject als ,,in standertwurk’’ en ,,in hebbeding foar de tûzenen dy’t fan stinzeflora hâlde’’.

De planten die ooit van verre oorden naar Friesland zijn gehaald, zijn niet alleen in ecologisch opzicht bijzonder, ze brengen ook de geschiedenis tot leven, zegt mede-auteur Stefien Smeding, specialist Cultuurhistorie en Erfgoed bij It Fryske Gea. ,,Ik fyn it hiel spesjaal datst op allegear plakken weromsjen kinst wat ûndersiker Johannes Bruinsma yn 1840 al waarnaam en oaren in iuw letter. Kinst by wize fan sprekken mei harren kaart op paad gean en dan komst deselde planten tsjin.’’

Vanaf de zestiende eeuw zijn de voorjaarsbloeiers die nu als stinzenplant worden gekarakteriseerd in ons land geïntroduceerd, te beginnen met knikkende vogelmelk, bostulp en winterakoniet. Toen in de achttiende en negentiende eeuw de staten van adellijke lieden werden gepromoveerd tot zomerverblijven, kregen de stinzenplanten alle ruimte om georganiseerd te verwilderen. Het romantische decor daarvoor werd geleverd door tuinontwerpers als Lucas Pieter Roodbaard en Gerrit Vlaskamp. Zij maakten de landschapsstijl, met waterpartijen, reliëf en slingerpaden, groot en krijgen daarvoor alle credits in het boek.

 

Ecoloog Wim Baas beschrijft hoe het kan dat de exotische stinzenplanten standhouden in door mensen aangelegde groene oases in het open land. De planten gedijen in kalkhoudende bodems waar ze het op een akkoordje gooien met loofbomen, schimmels en bacteriën. Die leveren de energie die ze nodig hebben om tot wasdom te komen in hun beperkte groeiseizoen in winter en voorjaar – als de bomen nog kaal zijn. 

Dat dit niet vanzelf gaat, beschrijven Hein Koningen en Wim Hoogendam in een uitgebreid en praktisch hoofdstuk over het onderhoud en beheer. Bostulp, sneeuwklokje en knikkende vogelmelk hebben er bijvoorbeeld baat bij dat de bodem rond hun bollen in de zomer lichtjes wordt losgespit. Dat zorgt voor ruimte en zuurstof. Klimop is een serieuze vijand van de meeste stinzenplanten. Alleen aronskelken piepen daar nog doorheen. De remedie? Wieden of desnoods de inzet van schapen of zelfs varkens, maar dan wel buiten het groeiseizoen van de stinzenplanten.

 

Als alles klopt, belonen de planten beheerders en bezoekers met ,,tapijten fan blommen, dy’st yn de rin fan de maitiid feroarjen sjochst fan kleur’’, zegt Buith. Bij ‘zijn’ Martenastate begint het seizoen met sneeuwklokjes en krokussen en eindigt het met het Haarlems klokkenspel. ,,Ast it hele skala sjen wolst, kinst gerêst fjouwer kear komme.’’

Het beheer bij Martenastate – een taak van It Fryske Gea – is helemaal gericht op het behoud van de historische rijkdom, die vijftien van de negentien erkende stinzenplanten omvat. Smeding: ,,Nije dingen sille we hjir net gau yntrodusearje. Wat der no stiet, is ús erfguod. De planten dêr’st no by delrinst, ha letterlik deselde grûnwearden as yn it ferline.’’

 

Toch krijgt de wilde hyacint – door Van der Ploeg nog tot de categorie ‘bijgoed’ gerekend – een kans als zestiende soort. Dat gebeurt niet op stategrond, maar in een naburig ruilverkavelingsbos, dat twee jaar geleden is overgenomen van Staatsbosbeheer en nu nog volop in ombouw is. 

Het historische park is ook geen statisch geheel. Hier leidt nu bijvoorbeeld de daslook tot discussie. Dit plantje met de kenmerkende uiengeur, kwam in de tijd van Douwe van der Ploeg slechts in bescheiden mate voor. Smeding: ,,Mar it kin him op klaaigrûn eksplosyf útwreidzje. Ferskate minsken wize ús dêr al op: Witte jim wol dat it dêr-en-dêr no ek stiet?’’ Uitgraven of maaien, dat is nu de vraag. Buith: ,,Dit binne leuke dingen om it mei-inoar oer te hawwen. Ast trije deskundigen fregest oer it behear, dan krijst ek trije mieningen.’’

 

Stinzenplanten in Fryslân  is woensdag vanwege de coronacrisis bescheiden gepresenteerd in Park Jongemastate in Raerd. Nynke van der Ploeg, de dochter van Douwe van der Ploeg, kreeg er het eerste exemplaar. Eigenlijk was er een veel groter spektakel voorzien, waarvoor It Fryske Gea en Stichting Martenastate de handen ineen hadden geslagen met historisch centrum Tresoar in Leeuwarden. 

Daar had de tentoonstelling ‘Fryske skatten yn it grien’ geopend zullen worden, met in de toekomst een digitaal informatie- en expertisecentrum waarin dan ook oude tekeningen en de kaartenbak van Douwe van der Ploeg te raadplegen zijn. De schade zal zeker nog ingehaald worden, belooft Smeding: ,,Want úteinlik giet it net allinnich om de planten, mar ek om de ferhalen derachter.’’

Titel: Stinzenplanten in Fryslân. Redactie: Henk Buith, Stefien Smeding, Heilien Tonckens, Aad van der Burg. Uitgever: Vereniging It Fryske Gea, Stichting Martenastate en Noordboek Natuur. Prijs €22,50 (176 blz.).

Nieuws

menu