'Hulp aan Joden begon te laat'

Een kaartje met de route waarlangs de Joodse kinderen vanuit Amsterdam naar Friesland werden gesmokkeld. Inzet links: onderduikster Lea Tropp met broer Izak en nichtje Basja. Inzet rechts: de Doopsgezinde kerk aan de Singel in Sneek.

In de Tweede Wereldoorlog werden 210 Joodse kinderen vanuit Amsterdam over het IJsselmeer naar Friesland gesmokkeld. Deze krant wil ze samen met Stichting De Verhalen, Friesch Dagblad en Omrop Fryslân opsporen. Iedereen kan helpen.

„Eigenlijk is Friesland pas wakker geworden toen de Joden hier allemaal waren weggehaald. Toen zijn ze Joden uit de Randstad gaan redden.’’

Het klinkt hard. Maar Bert Jan Flim, historicus en docent geschiedenis aan ROC Friesland College in Leeuwarden, is niet van het mild verpakken van feiten. In zijn boek Onder de Klok beschrijft hij minutieus en onverbloemd hoe de hulp aan Joodse kinderen was georganiseerd in de jaren 1942-1943. Waarom niet eerder? ,,De deportaties begonnen in de zomer van ’42.’’ Waarom niet later? ,,Toen waren er geen Joden meer.’’

Het klinkt extra luid in de vrijwel lege Doopsgezinde Kerk aan de Wirdumerdijk in Leeuwarden, waar Flim zijn verhaal doet. Deze kerk speelde een rol in het hele systeem van het smokkelen van Joodse kinderen vanuit Amsterdam en het onderbrengen bij onderduikgezinnen in Friesland. Immers, daar werkte van 1937 tot 1957 predikant Felix van de Wissel. Die zocht en vond opvangadressen in zijn gemeente. Zijn kerk aan de Wirdumerdijk had een netwerk van leden in dorpen in de wijde omgeving. De doopsgezinde gemeente had en heeft een sterke regionale functie, anders dan de gereformeerde en hervormde kerken, met in vrijwel alle dorpen een vestiging.

Zo werden er via de vermaning aan de Wirdumerdijk heel wat Joodse kinderen ondergebracht in dorpen rondom de stad. Met hulp van doopsgezind gemeentelid Krijn van der Helm, een man met een groot netwerk dankzij zijn betrokkenheid bij de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) en de Knokploeg van Leeuwarden.

Flim: ,,In Friesland zijn alle zeshonderd Joden allemaal al vroeg gedeporteerd, op 2 en 3 oktober 1942. Daar was woede over onder de Friese bevolking, die besloot daarop andere Joden te gaan helpen.’’

Crèche

De Wirdumerdijk was voor een deel van de kinderen het eind van een lange smokkelroute. Die begon bij de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, waar alle Joden bijeen werden gedreven voordat ze op transport gingen naar Westerbork en vandaar naar de vernietigingskampen. Kinderen tot 12 jaar werden van hun ouders gescheiden en in de crèche aan de overkant ondergebracht.

Vanuit de crèche werden in de eerste negen maanden van 1943 zo’n zeshonderd kinderen weggesmokkeld naar onderduikadressen in heel Nederland. Via de smokkelroute over het IJsselmeer werden 210 kinderen gered. Daar begint het verhaal van Flim, tevens het verhaal van het gezamenlijke project De Terugkeer van de Joodse Kinderen van Stichting De Verhalen, Friesch Dagblad, Omrop Fryslân, Tresoar en Leeuwarder Courant. Flim schat dat er nog zo’n zeventig in leven zijn, van wie een deel in Israël woont.

Theatervoorstelling over Lea Tropp

Bert Jan Flim is dé kenner van de Joodse onderduik. Hij promoveerde in 1995 op de geschiedenis van het ‘kinderwerk’. Gerard van der Veer van Stichting De Verhalen is ook al jaren bezig met het onderwerp. De Leeuwarder maakte onder andere documentaires over de onderduik in Friesland en schreef een theatervoorstelling over de Jodin Lea Tropp, die in Abbega zat ondergedoken.

Die voorstelling is de basis van het project, dat Van der Veer heeft bedacht. De Friese media sluiten erbij aan, om met een oproep aan lezers en kijkers dit aangrijpende hoofdstuk in de Friese historie vast te leggen.

Voor Bert Jan Flim persoonlijk begon het trouwens met de voordeurbel thuis in Nijverdal. ,,Ik studeerde geschiedenis in Groningen maar was thuis toen er werd aangebeld. Ik deed open en daar stonden Ed van Thijn en zijn vrouw op de stoep. In fietsoutfit, met helm en al. Van Thijn was toen minister van Binnenlandse Zaken. Later werd hij burgemeester van Amsterdam. Hij vroeg: ‘Ben ik hier bij Flim?’ En of mijn vader thuis was. Ik liep naar de kamer waar mijn vader zat te slapen in zijn stoel. Ik zei: ‘Niet schrikken, maar Ed van Thijn staat op de stoep en hij vraagt naar jou’. ‘Oh’, zei mijn vader. Hij trok zijn sloffen aan en liep naar de deur. ‘Ha Ed’, zei hij. En Van Thijn zei: ‘Ha Herman’. Hij vertelde dat hij de Yad Vashem-onderscheiding wilde aanvragen voor mijn vader, voor zijn hulp aan Joodse kinderen. Waarop die zei: ‘Dan ook voor de anderen, want ik heb het niet alleen gedaan’.’’

Pas toen ontdekte Bert Jan dat zijn vader in de Tweede Wereldoorlog onderdeel had uitgemaakt van de verzetsgroep NV, naast het Utrechts Kindercomité en de Amsterdamse Studenten Groep de derde organisatie die Joodse kinderen in veiligheid bracht. Hij had de zorg over meer dan zeventig Joodse kinderen, onder wie dus Ed van Thijn, die hij acht keer achter op de fiets naar een ander onderduikadres bracht. Totdat de jonge Ed uiteindelijk toch in Westerbork belandde en daar werd bevrijd.

De NV plaatste kinderen in het zuiden van het land. De Amsterdamse Studenten Groep (ASG) richtte zich op het Noorden. Twee studenten, Piet Meerburg in Amsterdam en Jan Meulenbelt in Utrecht, staan aan de wieg van die kinderhulp. Flim: ,,Piet werd kwaad toen zijn vriend, die Joods bleek te zijn, werd opgepakt. Jan werd kwaad omdat zijn moeder vier kinderen in huis had gekregen die uit een razzia waren geplukt. En eigenlijk is uit die boosheid het idee ontstaan om Joden te helpen. Het waren allemaal studenten, jonge mensen dus, die er bewust voor kozen om kinderen te redden. Ze richtten zich om pragmatische redenen op kinderen, want als 19-, 20-jarige moet je wel autoriteit hebben. Kinderen deden eerder wat ze zeiden. Ze hoefden er niet mee te onderhandelen en ze hoefden niks uit te leggen.’’

In het begin waren de taken duidelijk verdeeld. Vrouwelijke studenten in Amsterdam haalden Joodse kinderen bij hun ouders weg, stapten ermee op de trein naar Utrecht, waar de groep het overnam en de kinderen onderbracht op onderduikadressen. Ze ontmoetten elkaar bij de stationsklok, de verklaring van de boektitel Onder de klok. In de zomer van 1942 zijn er zo al zeker tachtig kinderen opgehaald, weet Flim.

Ouders gaven baby’s aan wildvreemde jonge vrouw

Opgehaald. Het klinkt zo simpel. Maar hoe vreselijk moet dat zijn geweest voor de ouders. Die gaven hun kinderen, soms baby’s nog, af met onbekende bestemming aan een wildvreemde jonge vrouw. Sommige studentes vertelden later dat ze die eerste tijd eigenlijk helemaal niet het idee hadden dat ze bezig waren met verzetsdaden. En dat ze weinig moeite hadden met het ophalen en meenemen van de kleintjes. Het was immers voor een goed doel. Ze stonden niet lang stil bij de gruwelijke realiteit.

In januari 1943 begon de crèche tegenover de schouwburg te draaien. Toen begon een race tegen de klok en professionaliseerden de studentengroepen. Piet Meerburg en medestudent Wouter van Zeytveld werkten in Amsterdam achter de schermen, een stuk of twaalf vrouwelijke studentes brachten de kinderen weg. Onder hen ook Iet van Dijk en Mieke Mees, die tientallen kinderen hebben overgedragen.

Op de Plantage Middenlaan passeren en stoppen voor de deur van de schouwburg twee tramlijnen. Dat is nu zo, maar destijds ook. Het moment dat die twee trams het zicht ontnamen op de ingang van de crèche, gebruikten de studentes om ongezien met een of twee kinderen weg te glippen. Baby’s in rugzakken, in kartonnen dozen, er is van alles gebruikt en gedaan om de kleintjes ongezien weg te krijgen. Snel, snel, naar het IJ waar de boot naar Lemmer lag. Met deze m.s. Jan Nieveen zijn honderden Joodse kinderen naar Friesland gesmokkeld. De trein werd steeds minder vaak gebruikt, daar werd gecontroleerd.

Flim: ,,Die kapitein van de Lemster boot moet een geweldige man zijn geweest. Die zag keer op keer jonge vrouwen met steeds andere kinderen de oversteek maken en weer alleen terug komen. Hij heeft nooit iets gezegd.’’

En dat was eigenlijk tekenend voor de hele situatie rond de kinderhulp. Geheimhouding bestond niet: iedereen in een dorp wist natuurlijk dat die-en-die een kind in huis hadden dat niet van henzelf was. De ondergedoken kinderen waren een collectieve verantwoordelijkheid van de hele gemeenschap. Flim spreekt van een ‘cocon’. De kinderen kwamen gewoon buiten en gingen naar school. Blonde kinderen werden in Friesland geplaatst, donkerharige kinderen in Limburg, al zijn er in Friesland ook kinderen met waterstofperoxide geblondeerd.

,,Het succes stond of viel met het stilzwijgen eromheen. Dat zag je ook in de dorpen. Daar woonden natuurlijk ook NSB’ers. Maar in 1943 was echt wel duidelijk hoe de vlag erbij hing. Hoe het zou aflopen. Dan werden die mensen gewoon onder druk gezet om hun mond te houden.’’ Op het platteland zag je ook niet veel Duitsers. En er waren waarschuwingssystemen. Bovendien wisten ze in de dorpen heel goed wie te vertrouwen was en wie niet.

Van Lemmer liep de smokkelroute door naar Sneek. Daar was een nicht van Piet Meerburg hulppredikant van de Nederlands Hervormde kerk. Deze Mia Coelingh werd vanaf februari 1943 ingeschakeld. Zij was weer bevriend met Gérard Jansen, kapelaan van de Rooms-Katholieke Kerk in Sneek. Samen met Willem Mesdag, dominee van de Doopsgezinde Kerk, wist dit ‘oecumenisch driemanschap’ tachtig Joodse kinderen te verbergen in hun netwerk. Flim, knipogend: ,,Gérard Jansen wist heel veel opvang te regelen via de biecht.’’

Toen de vraag naar gastadressen groeide, benaderde Willem Mesdag zijn collega Felix van de Wissel. En zo belanden we dan uiteindelijk aan de Wirdumerdijk in Leeuwarden. Uiteindelijk gingen er tachtig kinderen naar Sneek, honderd naar Leeuwarden en bij verzetsman Sjoerd Wiersma in Joure werden nog eens dertig kinderen afgeleverd.

Steeds meer risico’s

,,De inzet van de studentengroepen werd in 1943 steeds hoger, ze namen ook steeds meer risico’s. Oorlog doet ook iets met je ratio’’, vertelt Flim. ,,Mijn vader was aan het eind van de oorlog de weg kwijt. Die wilde met een stengun in zijn eentje Nijverdal bevrijden, bijvoorbeeld.’’

Eind september 1943 gaat de crèche tegenover de schouwburg dicht. De Duitse bezetters zijn klaar: alle Joden zijn weggehaald uit Amsterdam. De studenten hebben zeshonderd kinderen weten te redden. Flim: ,,Toch is de hulp te laat begonnen. Pas in mei 1943 stond er een professionele organisatie, maar toen was de helft van alle Nederlandse Joden al dood.’’

Hij beschrijft in zijn boek hoe Piet Meerburg in 1942 vergeefs om opvangadressen zocht in Friesland. ,,Toen wist men in de provincie nog totaal niet wat er gebeurde in de grote steden in het Westen.’’

Of er misschien meer dan 210 kinderen via deze smokkelroute naar Friesland zijn gekomen is niet bekend, maar Flim denkt dat buiten deze route om een veelvoud naar hier is gekomen. Kant en klare namenlijsten zijn er amper. Dat was destijds ook veel te gevaarlijk. De organisaties werkten met gecodeerde lijsten, en ook die moesten niet in verkeerde handen vallen. ,,Piet Meerburg, Wouter van Zeytveld en Iet van Dijk hadden een namenlijst in drie verticale banen gesplitst. Piet had de adressen, Iet de namen en Wouter de administratieve gegevens zoals de bonkaarten.’’

Lijsten waren vooral na de oorlog belangrijk, omdat onderduikers er zo achter konden komen hoe ze nu echt heetten. Bij jongere kinderen was dat heel moeilijk. ,,Als een baby’tje vijf keer was verplaatst wist niemand meer wie die baby oorspronkelijk was.’’

Kleine kinderen leefden vaak langer met hun nieuwe identiteit dan met hun oorspronkelijke. Als ouders waren omgebracht bleven hun kinderen verweesd achter, en wie wist dan nog wie ze waren? Ook voor jonge kinderen is het traumatisch om te ontdekken dat je niet bent wie je dacht die je was. Er zijn voor zover bekend in Nederland nog drie voormalige onderduikkinderen die nog steeds niet weten wie ze echt zijn, en daar waarschijnlijk ook nooit meer achter zullen komen.

Na de oorlog zijn veel oorlogswezen naar Israël gehaald of gegaan. Een minderheid belandde in de VS en een minderheid bleef in Nederland. Veel van de smokkelkinderen zijn voor het leven getekend. Flim: ,,Kinderen van 8 tot 16 jaar zijn er het slechtst uitgekomen. Die hebben bewust meegemaakt wat er gebeurde. Sommigen zijn heel recalcitrant uit de oorlog gekomen. Als je op dertig adressen hebt gezeten word je een beetje maf hoor. Dan is er geen hechtingsproces. Verder maakt het natuurlijk uit hoe het afscheid van je ouders was, en of die zijn teruggekomen.’’

Groot onderwerp

Gerard van der Veer besloot in 2017 de onderduikgeschiedenis van Friesland te reconstrueren. In de kerkbankjes aan de Wirdumerdijk vertelt hij dat dit project een vervolg is. ,,Toen ging het om drie documentaires. Dit is veel groter, nu zoeken we naar het verhaal van de 210 Joodse kinderen die vanuit de crèche in Amsterdam naar Friesland zijn gesmokkeld.’’

Het researchproject van de twee Friese kranten en de Omrop is waardevol, zegt Flim. ,,De Friese bevolking heeft heel speciale dingen gedaan, het is mooi dat daar aandacht voor komt. En het is goed voor de Joodse kinderen van die tijd, die ook nieuwsgierig zijn wat er is gebeurd. Het kan aan de andere kant ook traumatisch zijn, om erover te vertellen of te lezen.’’

Van der Veer: ,,Dit thema raakt veel meer mensen dan ik had gedacht. Het gaat nu al als een lopend vuurtje rond. We krijgen ook reacties van de tweede generatie bijvoorbeeld, van wie de vader of de moeder destijds in Friesland is opgevangen. Ook die hebben vragen en verhalen. De Joodse kinderen uit de crèche die nog leven, zijn nu tussen de 77 en 90 jaar. Ondanks hun levenslange worsteling met vraagstukken over hun afkomst, kunnen ze vaak krachtig hun verhaal vertellen. Die oorlog zit ín hen. We hopen ze te ontmoeten, in mei volgend jaar.’’

Nieuws

menu