Friesland geen aanjager, maar wel profiteur van de slavernij

Friesland was geen aanjager, maar wel profiteur van de grootschalige slavernij in de Nederlandse koloniën. Veel Friezen pikten er een graantje van mee, beschrijft historicus Barbara Henkes in haar nieuwe boek Sporen van het slavernijverleden in Fryslân. In zes wandel- en fietstochten leidt ze lezers langs gebouwen en plekken die verbonden zijn met grimmige dwangarbeid.

Historische schoolplaat van een koloniale suikerrietplantage. Vrijwel alle Nederlandse suiker was tot in de negentiende eeuw afkomstig uit de koloniën.

Historische schoolplaat van een koloniale suikerrietplantage. Vrijwel alle Nederlandse suiker was tot in de negentiende eeuw afkomstig uit de koloniën.

Jacob Binckes uit Koudum geldt als een Friese zeeheld: hij streed in de 17de eeuw heldhaftig in de oorlogen tegen Engeland. Dat hij zich ook te buiten ging aan onmenselijke wreedheid tegen burgers en ‘tot slaaf gemaakten’ in het Caraïbische gebied is minder bekend.

Hij moest zorgen dat de West-Indische Compagnie (WIC) haar lucratieve slavenplantages kon uitbreiden ten koste van de Franse overheersers. Zo hopte Binckes van eiland naar eiland, waarbij hij huizen platbrandde en alles roofde wat los of vast zat. Honderden dwangarbeiders maakten deel uit van zijn buit.

Vanaf het eiland Sint-Maarten voerde Binckes honderd ‘tot slaaf gemaakten’ mee op zijn vloot. Vermoedelijk kreeg hij veel geld voor deze mensen. In 1677 wisten de Fransen het schip van Binckes bij Tobago op te blazen. Hij en vele scheepslieden kwamen om. Bij deze slag stierven ook honderden volwassenen en kinderen, die gevangen zaten in zinkende slavenschepen.

,,Het is belangrijk dat Friezen ook die kant van de geschiedenis kennen’’, zegt Barbara Henkes, historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met hulp van andere historici en erfgoedinstellingen deed zij de afgelopen jaren onderzoek naar de relaties tussen Friesland en de op slavernij gebaseerde economie in de koloniën van de 17de tot 19de eeuw.

Haar boek bevat wandelroutes door Leeuwarden, Harlingen, Dokkum en drie fietsroutes door de Zuidoosthoek en de Zuidwesthoek. In 2016 maakte Henkes met anderen al een soortgelijk boek over Groningen. Ze raakte een gevoelige snaar: inmiddels is het Groninger boek meermaals herdrukt en Henkes wordt nog geregeld gevraagd voor lezingen.

Friesland was ,,geen gangmaker, maar nam wel deel aan het wereldwijde netwerk dat de Nederlandse Republiek over de wereld had uitgeworpen’’, schrijft Henkes. Kantoren van de VOC ( gericht op Azië) en de WIC (Amerika) ontbraken hier. Groningen had wel een WIC-vestiging.

Randvoorwaarden

Friesland had wel een eigen zeemacht. Veel zeelui van deze Admiraliteit (marine) maakten een overstap naar de koloniale scheepvaart, ontdekten de onderzoekers in de archieven. Ook een deel van de Friese schippers die van de Oostzeevaart leefden, voer naar verdere bestemmingen. Henkes: ,,Je ziet ze dan eerst in Scandinavië, maar later kom je ze tegen in Suriname.’’

,,Friezen hielpen bij het scheppen van de randvoorwaarden om slavenhandel en slavernij in stand te houden door de overzeese handel te ondersteunen’’, schrijft Henkes. Friesland leverde bijvoorbeeld ,,gouverneurs of andere bestuursfuncties overzee en in- en verkopers van koloniale waar.’’

In de koloniale hoofdplaats Amsterdam is het makkelijk om panden aan te wijzen die met slavernij zijn bekostigd. In Friesland blijkt dit lastiger, maar ze zijn er wel. Kijk maar eens naar de deftige voorgevel van Natuurmuseum Fryslân in Leeuwarden, met boven de ingang de naam Jacobus Martinus Baljée. Hij woonde als kind in het Nieuwe Stads Weeshuis, dat hier vroeger gevestigd was.

Toen hij later fortuin had gemaakt in Nederlands-Indië, wilde Baljée iets terugdoen voor zijn mooie jeugd. Bij zijn dood in 1823 liet hij aan het weeshuis een fortuin van 190.000 gulden na. Hoe kwam Baljée aan dit geld?

Volgens de Leeuwarder stadshistoricus Wopke Eekhoff bezat Baljée ‘een landgoed op enkele uren van Batavia, dat een overvloedige hoeveelheid ‘koffijbonen, rijst, suikerriet, notemuskaat, foelie, kaneel, kruidnagels en andere specerijen’ opleverde.’ Hier werkten ‘ruim 2500 boeren en boerinnen, 1300 volwassen mannen en vrouwen, 2200 jongens en meisjes, ‘benevens een groot aantal slaven’ op het land en in de huishouding’. Later kocht Baljée een uitgestrekte buitenplaats in Tanjong-West, waar ‘een groot aantal slaven’ werkte.

Na zijn dood schonk hij een deel van hen de vrijheid en een erfdeel, maar zijn rijkdom was zonder twijfel te danken aan grootschalige dwangarbeid. De stichting Nieuwe Stads Weeshuis is nu medefinancier van Henkes’ boek. Ook het Harlinger Doopsgezind Weeshuis kreeg in 1746 een groot bedrag geschonken van een familie die rijk was geworden met slavenarbeid in Suriname.

Witte mooren

Slavernij was in Nederland zelf verboden, maar in de koloniën werd er pas in 1863 een einde aan gemaakt. De eigenaren van de plantages kregen hiervoor een vergoeding. De ‘tot slaaf gemaakten’ ontvingen zelf geen compensatie, benadrukt Henkes. Het register met gecompenseerde plantage-eigenaren maakt duidelijk welke Friezen meegeprofiteerd hebben van de slavernij.

De wandeling in Leeuwarden voert bijvoorbeeld langs Nieuwestad 78. Dit klokgevelpand (nu de winkel Jeroen Beekman) was eigendom van Vrouwtje Salomons Stibbe, mede-eigenaar van de suikerplantages Poelwijk en Nieuw-Altona in Suriname.

Ook Andringastate in Lemmer had met grietman Regnerus van Andringa de Kempenaer een eigenaar die in het bezit was van aandelen in plantages. Zulke bezittingen waren er ook bij Lamoraal Sluijterman, wiens pronkhuis aan de Súd 13 en 15 in Workum nog altijd te bewonderen valt.

In diezelfde woning woonde eerder de beroemde wetenschapper Petrus Camper, die in het boek wordt gekoppeld aan zijn latere huis Klein Lankum in Franeker. In zijn kabinet verzamelde hij exotische schedels van ‘Aapen, Orangs, Negers, van eenen Hottentot, Madagascarsche, Celebesch, Chinees, Mongoler, van een Kalmuk en van onderscheidene Europeaanen.’

Op basis van zulke collecties ontstonden later racistische theorieën, maar Camper was hier zelf wars van. Hij schreef: ‘Wy zyn witte Mooren, of liever wy zyn menschen in alles gelyk aan de Zwarten.’

In 1770 kwam 5,2 procent van de Nederlandse economische productie voort uit slavenarbeid, becijferden historici Pepijn Brandon en Ulbe Bosma twee jaar geleden. Vrijwel alle exotische producten kwamen van slavernijplantages. Dat gold voor koffie, specerijen, chocola, thee, tabak en ook voor suiker.

Onzuivere koffie

Een hoofdstuk is gewijd aan de ‘onzuivere koffie’ van de bekende Jouster koffiebrander: ‘Het succes van Douwe Egberts is onlosmakelijk verbonden met het Nederlandse koloniale verleden. Zo kwamen de bonen voor de populaire Santoskoffie uit Brazilië, terwijl de Javakoffie afkomstig was uit het toenmalige Nederlands-Indië.’

‘In Brazilië draaiden de grootschalige koffieplantages nog tot 1888 op slavenarbeid, gevolgd door een periode van contractarbeid.’ Ook de Indonesische koffieteelt was gebaseerd op grote oneerlijkheid, zo stelde Multatuli vast in zijn roman Max Havelaar . De Indiërs werden uitgebuit om Nederland goedkope koffie te bezorgen.

Veel Friese handelaren haalden hun goederen uit Amsterdam en waren niet direct betrokken bij misstanden. ‘Het is goed mogelijk dat zij niets van slavernij moesten hebben. Desondanks bevorderden zij met hun winkels en fabrieken een systeem dat slavenarbeid, en vanaf de tweede helft van de 19de eeuw onderbetaalde dwangarbeid, in stand hield’, schrijft Henkes.

Zeker in de 19de eeuw kon iedereen weten hoe erg de misstanden waren. Er was hier namelijk een grote groep actievoerders (abolitionisten) actief, die de slavernij wilde afschaffen. Het ging om geleerde liberalen zoals de Heerenveense Anne Jongstra, maar ook om strijders uit de christelijke hoek. In 1858 kwamen abolitionisten samen in het Leeuwarder Zalen Schaaf (toen Van der Wielen) om de ‘gruwelen der slavernij’ aan de kaak te stellen.

Het meest fanatiek was predikant Hermanus Voorhoeve uit Harlingen. Hij schreef artikelen, organiseerde bijeenkomsten en zamelde geld in om mensen vrij te kopen op de Surinaamse plantages. Zulke activisten nodigden later Amerikaanse gospelkoren uit voor optredens, bijvoorbeeld in Sneek.

De fietsroute door de Zuidoosthoek leidt onvermijdelijk langs de beroemde Stellingwerver Pieter Stuyvesant. Hij had een sleutelrol in de ontstaansgeschiedenis van New York. Pas sinds enkele jaren is er aandacht voor een andere kant van deze ‘held’: honderden mensen werkten in slavernij op de plantages die Stuyvesant bezat.

Stuyvesant kreeg in Wolvega een standbeeld, een gedenknaald in Scherpenzeel en een monument bij de eveneens naar hem vernoemde kerk in Peperga. Het Van der Valkhotel in Wolvega kende jarenlang een Silver Leg Bar, vernoemd naar het met zilver beslagen been van Stuyvesant. Inmiddels heeft de hotelketen afscheid genomen van verwijzingen naar de bekende Stellingwerver, blijkt uit het boek.

Domela

Ook andere verwijzingen naar het slavernijverleden kregen een plekje. Denk bijvoorbeeld aan de rode dominee Domela Nieuwenhuis, die de koloniale slavernij beschouwde als voortvloeisel van hetzelfde meedogenloze kapitalisme dat ook de Friese veenarbeiders onderdrukte.

Onvermeld blijft de slavernij die Friese zeelieden ten deel viel als zij in de handen van Noord-Afrikaanse piraten vielen. Dit gebeurde geregeld in de 17de en 18de eeuw. Vaak werden deze slaven na een tijdje weer vrijgekocht door hun families. Dit aspect paste volgens de auteurs niet in het thema van dit boek.

Wel komen veel Aziaten en Afrikanen aan bod die vanuit slavernij naar Friesland werden gehaald om als exotische bediende in deftige huishoudens te werken. In Nederland was slavernij verboden en konden zij een vrij bestaan opbouwen. Sommigen slaagden hier wonderwel in.

Ook de Molukkers die later in Friesland neerstreken, krijgen ruime aandacht in het boek. ‘Een sequentie van koloniaal geweld keerde als een boemerang naar Nederland terug’, vermeldt het boek over hun acties in de jaren 70..

Barbara Henkes: Sporen van het slavernijverleden in Fryslân. Uitgeverij Passage, 144 blz, 17,50 euro.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Geschiedenis