Feanwâldsterwâl: een vaart, twee straten, twee gemeenten

Een vaart, twee straten, twee gemeenten. Een gek grensgeval en een warm thuis: Feanwâldsterwâl, het dorp dat er bijna niet meer was.

FOTO MARCEL VAN KAMMEN

FOTO MARCEL VAN KAMMEN

Een zenuwslopende aangelegenheid moet het zijn geweest. Het was 1974 en in café ’t Dûke Lûk in Feanwâldsterwâl dromden mensen samen voor de openbare verkoop van De Wâl 47, een kloek arbeiderswoninkje aan de vaart, precies 280 meter oostelijk van de kroeg.

Onder de belangstellenden bevond zich de vader van Egbert Veenstra. Veenstra senior was wegenbouwer geweest, tot hij door een naar ongeluk tijdens een klus op een woensdagmorgen bij Noardburgum met zijn been onder een stoomwals belandde. Het ledemaat raakte verbrijzeld en heit Veenstra werd veekoopman.

Die handelsvaardigheden zouden hem nu goed van pas kunnen komen. Veenstra was vastberaden nummer 47 op de kop te tikken. Het leek hem een puik adres voor zijn zoon Egbert, 20 toen, en diens kersverse vrouw Coby.

De verkoop geschiedde per opbod. Wie interesse had, krijtte een bedrag op een bord en hield dat vervolgens in de lucht, herinnert Egbert Veenstra zich. Hij zat bij zijn vader in het zaaltje, om bij eventueel succes meteen de koopcontracten te kunnen ondertekenen.

De strijd om de sleutel van De Wâl 47 zou uitmonden in een ware slijtageslag, waarin meerdere kandidaat-kopers de prijs maar bleven opdrijven en elkaars portemonnee uitputten. Veenstra: ,,De priis is wol hûndert kear ferhege foardat ús heit it hie.’’ Maar hij hád het!

Het keukenvertrek van De Wâl 47 bevindt zich in het achterste deel van de woning. Coby Veenstra (64) zit aan de keukentafel waarover een transparant zeil is gespannen. Op haar schoot rust een bak met sproetige aardappelen, die door de vrouw des huizes bijna blindelings van hun jasje worden ontdaan. In een hoek van de kamer staat een rieten mand met decoratieve walnoten.

De met kanten valletjes aangeklede vensters die aan weerszijden van een geiser gesitueerd zijn, bieden zicht op een gazon dat bijna naadloos overgaat in een weideperceel. Een keer of vier per jaar wordt dat land gemaaid, vertelt Egbert Veenstra vanaf een bruine stoel. Achter de wei ligt het spoor. Zo nu en dan schiet er een rood-witte streep voorbij: de trein tussen Leeuwarden en Groningen.

De keuken is mede vanwege het uitzicht op de velden zijn favoriete plek in huis, stelt Veenstra. Net als in de woonkamer aan de voorzijde van het huis staat er een televisie. Voor het geval zijn vrouw en hij een ander tv-programma willen zien. Zonet keek Egbert Veenstra, oud-bouwvakker, er nog een herhaling van Tussen Kunst en Kitsch op.

Nadat ze de woning in 1974 als prille echtelieden betrokken zijn ze er altijd gebleven. Zo honkvast waren er destijds wel meer, maar niet iedereen had het geluk om een geschikte woning op ‘De Wâl’ te vinden. ,,Moatst de kâns al krije, hè? Der wiene ek guon dy’t yn Feanwâlden bedarren, yn ’e duplex.’’

Coby Veenstra was 11 toen ze van het veel grotere Wieringerwerf naar Feanwâldsterwâl verhuisde. Haar vader had hier een kippenmesterij gekocht. ,,Doe’t de ferhúswein De Wâl yndraaide, seine myn âldere susters: ‘Och heare, moatte wy hjir wenje?’’’

'Och heare, moatte wy hjir wenje?'

Zelf had ze niet meteen een mening over haar nieuwe woonplaats. ,,Ik wie noch mar in snotnoas. Ik moast hjir noch nei de legere skoalle. Ik fûn it wol prima.’’ Ze stopt even met piepers jassen. ,,En ik soe no net graach mear werom wolle.’’

Buiten snateren eenden op een vliesje ijs, aan de rand van een wak in de Wâlsterfeart. Het smalle watertje snijdt het dorp in tweeën. De huizen ten noorden ervan horen bij de gemeente Dantumadiel, alles bezuiden de vaart heet Tytsjerksteradiel.

De huizen, meest woonboerderijen, aan de zuidkant van de vaart zijn door smalle bruggetjes met de openbare weg verbonden. Sommige zijn van hout, andere worden gevormd door een eenvoudige betonplaat die tussen beide oevers is gehesen.

Eén brug, robuuster dan de andere en uitgevoerd met roestvrijstalen leuningen, leidt niet naar een huis, maar naar De Streek. Zo heet het buurtje dat haaks op De Wâl staat. De Wâl en De Streek horen bij elkaar – samen vormen ze Feanwâldsterwâl – maar alleen het grote gemeentelijke bord met ‘Oant sjen’ aan de zuidelijke walkant suggereert al een scheiding.

Halverwege De Streek kun je rechtsaf, een drie tegels breed voetpad op, langs schuttingen en een moestuin met wat stronken boerenkool en spruitjes. Het pad gaat over in een onverharde weg. Die sluit op zijn beurt weer aan op De Streek. Veel ingewikkelder is het wegennet van de kom van Feanwâldsterwâl niet.

Bewoners hebben in de Wâlsterfeart kleine bootjes afgemeerd. Sommigen zijn vol geregend en hellen vervaarlijk over. Zodra de temperaturen stijgen, dienen deze vaartuigen een recreatief doel. Maar dat was vroeger wel anders.

Postsegeltsjes

Veel dorpelingen beschikten over een lapje grond in het natte land ten noordwesten van het dorp, vertelt Egbert Veenstra: ,,De Sippenfennen. Dêr koest mei hynder en wein net komme. It wiene allegear postsegeltsjes. Ús heit moast earst ek troch trije hekken foar’t hy der wie.’’

Jouke de Vries herinnert zich dat ruige, natte gebied ook. De Vries, klein van stuk en getooid met een ringbaardje, bracht zijn jeugd door in Feanwâldsterwâl. Nu woont hij in Feanwâlden. Hij zit in het bestuur van de dorpsvereniging die de belangen van beide dorpen ‘en omstreken’ dient.

Amsterdamse arbeiders ontgonnen de woestenij destijds ,,yn it kader fan ’e wurkferskaffing’’, zet De Vries uiteen. Maar hun inspanningen ten spijt, ,,it hat noait wer echt bêst lân west, mei in protte rusken en sa.’’

Niettemin verdienden veel Wâlsters er een boterham. Vissers, rietsnijders en kleine boertjes ,,kamen dêr oan ’e kost.’’

Veel van die bescheiden agrariërs trokken aan het begin van de dag op hun schouw naar hun perceel, om pas bij het vallen van de avond met de platbodem vol gras voor hun vee terug te keren.

Voor de plaatselijke jeugd was het stelsel van sloten, petgaten en ondiepten een gouden plek om ’s zomers een kampeerweek te houden. En in het weekeinde recreëerde Feanwâldsterwâl er. Sommigen keerden aan het eind van de dag met emmers vol eendeneieren terug naar huis.

Op de zeventiende september van 2011 aanschouwde Klaas Idzerda hoe een harde bries de dorpsvlag van Feanwâldsterwâl greep en het textiel strekte. Duidelijk zag hij het gele elzenblad in het hart van het speciaal voor deze dag ontworpen banier. Idzerda glunderde. Dit hadden hij en de andere leden van het Actiecomité tot behoud van Feanwâldsterwâl toch maar bereikt.

Behoud van Feanwâldsterwâl?

Ruim tweeënhalf jaar voor de dorpsvlag in top ging, in de winter van 2009, ontvingen bewoners van De Wâl een nieuwjaarskaart van de gemeente Dantumadiel die hen schrik aanjoeg. Op de kaart stond namelijk niet langer de plaatsnaam Feanwâldsterwâl genoemd, maar Feanwâlden.

Na de verfrysking van de plaatsnamen ontbrak Feanwâldsterwâl überhaupt op de gemeentelijke kaart.

Het voorval maakte een grote identiteitszucht wakker in Idzerda – geboren in Tijnje maar door de liefde, Anneke, een halve eeuw geleden naar De Wâl gedreven – en een groep andere dorpelingen. Ze ontketenden een diplomatieke strijd om hun plaats terug op de kaart te krijgen. Om de dorpsstatus te bemachtigen en opheffing te voorkomen. Idzerda, terugblikkend: ,,Aksje!’’

Tegen de achtergrond van lopende gesprekken over gemeentelijke herindelingen bleek dat geen eenvoudige kwestie. En zowel Dantumadiel als Tytsjerksteradiel moesten zich voor dat dorpspredicaat uitspreken. De eerstgenoemde gemeente ging eind 2010 overstag, ‘Burgum’ volgde in het voorjaar daarop.

Erkenning

Op 17 september 2011 vierde Feanwâldsterwâl die erkenning met een groot dorpsfeest, het eerste échte, waarbij dorpelingen zich laafden aan live-muziek, een kermis en het vlagceremonieel. Om het jaar, spraken ze met elkaar af, zouden ze dit feest blijven vieren.

Feanwâldsterwâl mocht zich nu misschien wel een dorp noemen, de ontwikkelingen maakten geen einde aan de wat merkwaardige status die de plaats nog altijd heeft.

Er bestaat nog altijd geen uniforme postcode voor Feanwâldsterwâl. De woningen aan de noordkant van de Wâlsterfeart horen in postaal opzicht nog bij Feanwâlden, de huizen aan de zuidkant bij Hurdegaryp en in enkele gevallen bij Noardburgum.

En de omstandigheid dat het dorp op de grens van twee gemeenten ligt, zorgt soms voor kolderieke taferelen, vindt Idzerda. Zo wordt het huisvuil van aanwonenden van De Wâl opgehaald door twee verschillende vuilnisauto’s. Idzerda, hoofdschuddend: ,,Dat is my dochs wat. Hie it dan om it jier dien: it iene jier troch Dantumadiel, it oare jier toch Tytsjerksteradiel.’’

Een correctie van de gemeentegrenzen zou aan alle problematiek een eind kunnen maken, maar waar trek je dan de streep? Een oplossing is er vooralsnog niet, stelt Idzerda vast. ,,It is al in hiel skoft stil.’’

Het onpraktische gegeven in een grensgeval te wonen ervoer Jelle van der Meulen al in zijn kindertijd. Van der Meulen is met zijn 83 jaar de oudste bewoner van Feanwâldsterwâl, al zou je hem die leeftijd niet geven. Hij is een kwieke man met zilverkleurig haar, die normaal gesproken altijd in zijn moestuin bezig is. Hij verbouwt daar onder meer aardappelen (,,parels’’), boerenkool, prei, zwarte- en rode bessen, aardbeien, frambozen en boontjes.

Van der Meulen woont samen met zijn vrouw Maaike in een woning aan De Streek die naast een grote boerenschuur staat. Ooit was dat het kloppende hart van het bedrijf waar Van der Meulens pake al boerde. Vanaf 1961 mocht hij het huren, in 1979 werd hij daadwerkelijk eigenaar.

Hoezeer de historie van deze plek met de Van der Meulens verweven is, illustreert de achtertuin van de woning. Jelle van der Meulen was nog niet geboren, toen arbeiders De Streek voor de boerderij van klinkerverharding voorzagen. Diezelfde stenen uit de jaren twintig, ,,ôfkarde waaltsjes’’, vormen nu het plaveisel van het terras aan de zuidkant van het erf.

Tegenwoordig is de buitenman boer-in-ruste. In 2000 verkocht hij zijn quotum. Van de 15 hectare grond die hij bezat heeft hij er nog ongeveer 3,5 over, die hij als maïsland verhuurt. In de schuur staan nog zijn landbouwmachines. ,,Mar dêr doch ik neat mear mei.’’

Hûnbelesting

De Streek behoort tot het zuidelijke, Tytsjerksteradielster deel van Feanwâldsterwâl. De Van der Meulens prezen zich daar altijd gelukkig mee. ,,Wy hiene altyd in hûn en yn Tytsjerksteradiel wie de hûnebelesting folle leger.’’

Niettemin was de familie van oudsher wel meer georiënteerd op Feanwâlden en vader Van der Meulen wilde ook dat zijn kinderen daar naar de openbare school gingen. In de school van Feanwâldsterwâl, de kalkzandstenen School met den Bijbel uit 1909, aan de overkant van de oude weg naar Dokkum, zag hij niets.

Maar de wetgeving verbood mensen destijds om hun kinderen naar scholen buiten de eigen gemeente te sturen, vertelt Jelle van der Meulen. Er zaten echter mazen in het net. Als een kind tenminste drie nachten verbleef in de gemeente waarin de school stond, mocht het wél.

Zo kwam het dat kleine Jelle en zijn oudste zus Hennie drie dagen en nachten per week bij hun grootouders in Feanwâlden doorbrachten. Dan sliepen ze in een alkoof, een bedstee.

De kinderen uit het gezin Van der Meulen die na Jelle kwamen, ontsprongen die halfwekelijkse verhuisoperatie die voor hun gewenste schoolkeuze noodzakelijk was. ,,Doe binne dy rigels oanpast.’’

Op De Wâl 47 ziet Egbert Veenstra vanuit door het keukenvenster hoe de trein van even over half elf vaart mindert voor het station van Feanwâlden. Niet dat hij per se een uurwerk nodig heeft om zich ervan te vergewissen om welke trein het precies gaat. De spoordienstregeling is zijn kompas.

Dat was het vroeger al, toen hij als knaap aan de westkant van het dorp een reed in fietste, zijn rijwiel in de berm kwakte, het veld overzag en voor de rest van de dag eierzoekend in de groene uitgestrektheid verdween.

Veenstra kende – en kent – er elke vierkante meter. Hij weet van elk postzegelperceeltje hoe het heet - Roelkrite, Jeneverpôle, Stikelfinne – en geen doorwaadbare ondiepte in het slotenstelsel is hem onbekend.

Meestal kwam Veenstra pas terug als de duisternis inviel, zo moe van het struinen dat zijn benen er pijn van deden. En dan moest hij ’s avonds nog trainen ook; jarenlang was hij een degelijke linksback bij SC Veenwouden.

Op dat soort lange dagen verwaaide de tijd in de wind die over de velden boven Feanwâldsterwâl joeg. Dan vertikte Veenstra het ook om een klok om zijn pols te dragen: ,,Ik ha eins al fjirtich jier gjin horloazje mear om.’’

Structuur

Om toch structuur in de dag aan te brengen was het louter zaak om naar de stand van de zon te kijken en goed de passerende treinen te tellen. ,,Ast der ientsje mistest, dan wie it yn ’e war.’’

Veenstra denkt even over zijn woorden na. ,,Ja’’, stelt hij, ,,ik mei hjir graach wenje. Mar dat kin ik ek maklik sizze. Ik ha noait ergens oars wenne. Yn Feanwâlden sil it ek bêst wêze. Jo witte it net.’’

Dan legt Egbert Veenstra, ‘Eps’ voor intimi, zijn vlakke hand gedecideerd op het transparante tafelzeil en spreekt hij de conclusie uit die al minutenlang boven zijn verhaal hangt, als was het een officiële verklaring.

,,Feanwâldsterwâl, dat is myn thús.’’

Iepen Doar(p): verhalen achter 128 voordeuren

Feanwâldsterwâl telt 128 huishoudens. Grote families en alleenstaanden, basisschoolkinderen en ouden-van-dagen, geboren Wâlsters en nieuwe dorpelingen. Hoe divers ook, achter elke voordeur schuilt een persoonlijk verhaal, ontdekten journalist en oud-inwoner Sjoerd Litjens en diens team.

Samen met Sippy Tigchelaar en Hester Heite (interviewers) en Tryntsje Nauta en Marieke Kijk in de Vegte (fotografen) maakte initiatiefnemer en projectleider Litjens 128 audiovisuele portretten van de bewoners van Feanwâldsterwâl.

Het resultaat van dit project, Iepen Doar(p) , is sinds vorige week zaterdag te bewonderen. Tot 9 augustus worden de kleurrijke portretten een voor een gepresenteerd bij Omrop Fryslân en op www.iependoarp.eu .

Iepen Doar(p) is een van de projecten in het hoofdprogramma van LF2018.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Culturele Hoofdstad