Donsje was de beschermeling van verzetsheldin Ruth de Jonge maar was tot nu toe onvindbaar: 'Miracles do happen'

Donsje (rechts) op schoot bij Jopie van der Helm, de vrouw van verzetsheld Krijn van der Helm.

Een voorliefde voor varkens. De herinnering aan de hand van een militair op haar hoofd, een levenslange angst voor de wc. Freddy Kater weet bijna niets over haar eerste levensjaren. Tot haar spijt: ,,Want ik doe de mensen in Friesland die mijn leven hebben gered tekort.’’ Maar het goede nieuws is: Freddy, alias Donsje, het beschermelingetje van verzetsheldin Ruth de Jonge is opgespoord. ,,Miracles do happen.’’

Vorig jaar maart schreven we over Ruth de Jonge, die compleet van de radar was verdwenen nadat ze kort na de oorlog naar Amerika emigreerde. We spraken haar nog en ziek als ze was wist ze heel duidelijk te maken hoe erg ze het vond dat ze niet wist hoe het was afgelopen met Donsje. Het Joodse onderduikertje dat ze onder haar hoede nam na de dood van verzetsheld Krijn van den Helm. En dat ze na de oorlog weer moest afstaan aan haar biologische vader die zijn dochtertje kwam opeisen.

Jarenlang heeft niemand geweten hoe het verder is gegaan met het kleine Joodse meisje met de brede zwarte wenkbrauwen en de grote bos haar, die haar de bijnaam Donsje opleverde. Donsje verdween uit beeld, nadat haar vader Bertus Kater haar ophaalde uit Friesland. Toen hij eenmaal met behulp van advertenties in kranten had weten te achterhalen waar zijn dochtertje was gebleven.

Het is toch dankzij Ruth dat Donsje is gevonden. Want Ruth de Jonge is weliswaar vorig jaar mei overleden, maar haar nicht Friedi en echtgenoot Robert in Amstelveen hoorden begin dit jaar bij toeval van een kennis dat hij ooit in Amsterdam met een Donsje op een Joodse school had gezeten. En dat die Donsje eigenlijk Freddy Kater heette en lang geleden al naar Engeland was geëmigreerd. Maar dat er een halfzus Renée was, die in Amsterdam woonde. Er werd contact opgenomen en zo werd de puzzel gelegd en het raadsel rond Donsje opgelost. Er volgde zelfs een mail uit Londen met de tekst Miracles do happen!


En zo komt het ook dat we nu via Facetime van Freddy Kater zelf kunnen horen wat zij zich herinnert van haar tijd in Friesland en hoe haar leven sindsdien is verlopen. Er vallen meteen twee dingen op: de zware wenkbrauwen zijn gebleven en die moeizame start in het leven heeft de energieke en gevatte Freddy alias Donsje er niet zichtbaar onder gekregen.

Het begin van het gesprek is weinig bemoedigend. ,,Ik heb geen enkele herinnering aan die tijd’’, zegt ze opgewekt in nagenoeg accentloos Nederlands. ,,Ik heb nooit het gevoel gehad dat me iets ergs is overkomen, maar toch moet er wel iets zijn gebeurd want anders was het niet zo’n zwart gat toch. Ik ben wel in psychotherapie geweest maar dat heeft niks opgeleverd.’’ Al pratend komen er toch details en verhalen over haar vroege jeugdjaren naar boven.

,,Mijn ouders zijn getrouwd in 1937. Mijn biologische moeder heette Serlina Polak, mijn vader Bertus Joseph Kater. Hij had een textielfabriek in Halfweg. Ze woonden in Amsterdam. Ik ben geboren op 17 februari 1940. Ik herinner me nog dat ik tussen hen in in bed lag. Mijn vader vertrok in 1942 naar Zwitserland en het was de bedoeling dat moeder en ik zouden volgen. Maar wat er daarna precies is gebeurd weet ik niet. We zaten bij tante Pien, die een boekwinkel op de Hogeweg in Amsterdam had.’’

Moeder woonde in het tuinhuis

,,Mijn moeder woonde in het tuinhuis en ik denk dat ik bij tante Pien in huis zat. Dat denk ik, omdat ik nog weet dat daar de wc altijd overstroomde. Mijn moeder is verraden en opgepakt. Tante Pien heeft mij, toch een vrij Joods uitziend meisje, naar Friesland gesmokkeld. Misschien wel in een koffer. Daar ben ik nog een aantal keren van adres veranderd, voordat ik bij de familie Van den Helm terechtkwam.’’ Na de dood van Krijn van den Helm, die in augustus 1944 werd doodgeschoten in het bijzijn van Ruth, vertrok Ruth met Krijns weduwe en zoontje Krijn jr. samen met Donsje naar Bakhuizen. Daar trokken ze in bij de ondergedoken Leeuwarder familie Kingma. Ruth bleef voor Donsje zorgen, totdat haar vader haar kwam ophalen.

Dikke kans dat bij of op de boerderij in Bakhuizen ook een paar varkentjes woonden. En dat daar haar voorliefde voor varkens en alle bijbehorende geuren en geluiden is ontstaan. ,,Zodra ik ze zie of ruik, voel ik me enorm rustig worden. Bijna een soort van verliefdheid’’, zegt ze vertederd. Minder grappig is dan weer haar levenslange angst voor de wc. ,,In Friesland was dat een plank met een gat. En ik was zo bang dat ik daar doorheen zou zakken. For chrissake , nu ben ik 81 en nog steeds doe ik buitenshuis de deur van het toilet niet op slot en moet er iemand voor gaan staan.’’

,,Ik herinner me ook dat er iemand is doodgeschoten en dat iemand in een grijs uniform me over mijn hoofd aaide terwijl ik onder de dekens lag. Hij zei ‘Hier ist niemand’. Maar ja, of dat echt gebeurd is of dat iemand me dat heeft verteld. Ik weet het niet.’’

,,Mijn vader heeft niet geweten waar ik uiteindelijk ben beland. Anders had hij me niet hoeven zoeken. Ik vraag me soms wel af of tante Pien niet veel meer kinderen heeft weggebracht maar daar heeft ze altijd over gezwegen. Terwijl ze vreselijk nieuwsgierig was en een enorme kletskous. Ze kon geen geheim bewaren, maar dit dus wel.’’

Dat Ruth haar vader in een brief ‘een ploert van een man’ noemt, verbaast haar niet. ,, I’m not surprised . Hij heeft een slechte indruk gemaakt toen hij me kwam ophalen. Ik sprak alleen nog maar Fries, ik wist helemaal niet wie hij was. Mijn biologische moeder is afgevoerd naar een concentratiekamp. We hebben later gehoord dat ze in 1945 is overleden. Ze was toen 28 jaar. Vader is na de oorlog hertrouwd met Johanna Koot, een zus van tante Pien. Zij was maar zestien jaar ouder dan ik. Ze was heel lief voor mij en ik was dol op haar. Ik noemde haar eerst tante maar heb vervolgens gevraagd ‘mag ik u -dat zeiden wij hè, u tegen volwassenen- mama noemen’?’’

,,Zij en mijn vader kregen nog twee dochters, mijn halfzussen Renée en Carla, en ik vond dat fantastisch! Helaas zijn ze toen ik 13 was gescheiden en dat heb ik mijn vader nooit vergeven. Ik heb nooit een goede relatie met hem gehad. Hij zei altijd heel cynisch ‘Je was zo’n lief meisje’. Ik heb hem mijn hele leven gehaat. And I broke to pieces toen mama in 1976 aan kanker overleed, ze was nog maar 44.’’

Freddy ging naar de Joodse hbs in Amsterdam, koos voor de talenkant en vertrok op haar achttiende naar Engeland. ,,Om de taal te leren. Een keer in de week belde ik met mama. Dan stond ik voor 7 shilling en 3 pence drie minuten huilend aan de telefoon.’’

Verliefd op Engelse Margareth

In Engeland werd ze verliefd op Margareth. Freddy wist al jong dat ze op vrouwen viel. ,,Maar in mijn tijd zeiden ze dan dat je ‘van de verkeerde kant was’. Dat je er ‘zo eentje’ was’’’, en ze trekt een scheef gezicht. ,,Toen ik het mama vertelde, zei ze ‘Heb ik iets verkeerd gedaan’.’’ Serieus: ,,Het lag destijds allemaal heel moeilijk.’’ Door Margareth, die arts was, raakte Freddy geïnteresseerd in de beta-wetenschappen. ,,Toen ben ik op mijn 28ste biochemistry gaan studeren aan de University of Sussex. Ik was de oudste van de klas.’’ Ze slaagde met vlag en wimpel en werkte jarenlang in het kankeronderzoek. Totdat ze 40 werd en het niet meer kon opbrengen.

,,Toen ben ik weer gaan studeren en reclasseringswerker geworden. Ik werkte met levenslang gestraften, die seksuele misdrijven hadden gepleegd. Mensen die de meest vreselijke dingen hadden gedaan. Horrible stories . Mensen met een afschuwelijke jeugd, die toch sympathiek overkwamen. Het was zwaar werk. Toen ik 57 was, werd ik op een dag wakker en zei tegen Margareth ‘Ik kan dit niet meer aan’. Margareth was al met pensioen en we besloten dat ik ook kon stoppen met werken. Sindsdien houden we ons als vrijwilligers bezig met hulp aan kankerpatiënten, hoewel dat nu door de corona even niet mogelijk is.’’

,,Op mijn zevende zei ik tegen mama dat ik nooit moeder wilde worden. En ik ben mijn hele leven al bang voor mannen. Maar ik weet door mijn werk dat er genoeg mensen zijn die veel ergere dingen hebben meegemaakt. Het trieste is dat ik me niets herinner van al die mensen die zo lief voor me zijn geweest, die me het leven hebben gegeven. Maar ik heb uiteindelijk toch het gevoel dat ik wel iets goeds met mijn leven heb gedaan.’’

Ruth de Jonge: koelbloedige tante in het verzet

De Joodse Ruth de Jonge trekt in 1942 in bij het gezin Van den Helm in Leeuwarden, terwijl haar ouders en broers met hulp van gezinsvriend Krijn elders in Friesland onderduiken. Ruth raakt betrokken bij het verzetswerk van Krijn en toont zich een koelbloedige tante. In augustus 1944 vlucht Krijn met zijn zwangere vrouw Jopie, zoontje Krijn, Donsje en Ruth naar Amersfoort, nadat een lid van zijn verzetsgroep is opgepakt. Daar wordt hij in de deuropening van het huis van zijn schoonouders doodgeschoten door de Nederlandse SD-er Pieter Johan Faber.

Het is Ruth die zich voordoet als dienstmeisje, die het bloed opruimt, en met Donsje onder haar arm samen met Jopie en Krijn jr terugreist naar Friesland. Ze belanden in Bakhuizen, op dezelfde plek als waar de Leeuwarder familie Kingma al ondergedoken zit. Samen overleven ze de laatste oorlogsmaanden. In een brief van 31 juli 1945 schrijft Ruth dat ze haar ‘dochtertje’ Donsje weer aan haar rechtmatige vader heeft teruggeven. ,,Een ploert van een man trouwens, maar wij hadden geen recht het kind te houden.’’ Ruth de Jonge overlijdt op 14 mei 2020, ze is 99 jaar geworden.

Nieuws

Meest gelezen