Column: Tobias

In de documentaire Doof kind heeft hoofdpersoon Tobias de Ronde een lange rij festivalbandjes om zijn pols. De randjes rafelig, de bandjes draderig, echt een hippe twintiger.

Zaterdagavond – Werelddovendag – was Tobias in Slieker, voor vragen na de filmvertoning. Ik mocht ze stellen, een doventolk tolkte. ,,Alles kan vertaald worden’’, had ze gezegd. Gebarentaal is een complete taal, bedoelde ze.

(Je kunt er zelfs in roddelen, weet ik nu. Dat vroeg ik Tobias toen het afgelopen was. Het is oppassen, want iedereen kan je gebaren zien. Maar je kunt een soort van fluisteren. Hij deed het voor, dicht bij elkaar staan, handen stilletjes bewegen.)

Zijn festivalbandjes intrigeerden me. Want hij droeg ze nu niet meer. Dus vroeg ik: waarom heb je ze afgeknipt? Dat is vanwege zijn baan als docent Nederlandse Gebarentaal aan Hogeschool Utrecht, zei hij.

Zou je op zo’n festival de muziek ook willen horen, vroeg ik. Leek me een domme vraag die alleen horenden stellen, maar ik waagde het erop.

Op festivals geniet hij van de bastonen en de ritmes, zei hij. Die je even goed voelt als hoort. En van het dansen, het groepsgevoel, de belevenis. Bovendien moeten alle horenden vanwege de harde muziek steeds heel duidelijk en dichtbij praten, wat liplezen gemakkelijker maakt.

Daarna keek ik even bij de Mute Sounds Party in Neushoorn, dansen voor doven met een trilvloer. Dat had ik nog nooit gezien: het is een verhoogde vloer, die bij elke bastoon vibreert. De muziek kriebelt dwars door je schoenen heen. Veel gedanst werd er nog niet, de meesten stonden in gebarentaal te praten. Misschien roddelden ze zelfs, dat kon ik als pas ingewijde niet onderscheiden.

asing.walthaus@lc.nl

Nieuws

menu