Als de meidoorn bloeit is het voor Puck Aronson weer 18 mei 1943

Puck Aronson. Foto: Peter Nicolai

Puck Aronson overleefde de oorlog onder de naam Corrie Winter in Drachtstercompagnie bij Gelkje van Koten. Ze werden als familie voor elkaar, al bleven ze altijd ‘juffrouw Van Koten’ en ‘Corrie’. Het dagboek dat Puck in die tijd bijhield houdt ze voor zichzelf. Daar staan ook nare gebeurtenissen in. ,, Ik weet nog niet wat ermee moet gebeuren als ik er niet meer ben.”

,,Ik koester nog altijd warme herinneringen aan Drachtstercompagnie. Dat dorp heeft mij beschermd. En nog veel meer andere mensen. Ik herinner me nog dat op 14 april 1945, toen de Canadezen door het dorp kwamen, er ineens veel meer mensen op straat kwamen dan anders. Dat waren allemaal onderduikers!”

Puck Aronson (92) uit het Zeeuws-Vlaamse Hulst kan de herinneringen aan de oorlog feilloos opdiepen. ,,Wij zagen altijd op zondag een familie met een meisje langslopen op weg naar de kerk. Na de oorlog ging de bel, en daar stond dat meisje. ‘Ik zag jou op zondag altijd voor het raam staan’, zei ze. ‘Ik denk dat wij familie zijn.’ Met andere woorden: wij zaten in hetzelfde schuitje. Dat was Jetty de Groot uit Almelo, die bij een boer ondergedoken zat. Na de oorlog ben ik nog vaak bij haar uit logeren geweest.”

Zelf had ze toen geen thuis meer. Van haar familie overleefden alleen een oom en tante die via Frankrijk naar Zwitserland waren gevlucht en een andere tante die ook ondergedoken was. ,,Ik heb na de oorlog nog jaren naar mijn ouders gezocht. Ik hield steeds die hoop dat ze ergens in een Russische gevangenis zouden zitten en ineens weer zouden terugkomen. Maar dat houd je hooguit vijf jaar vol.”

Puck werd in Amsterdam geboren als Sara Gobitz. Ze had de onderduiknaam Corrie Winter gekregen en vond onderdak bij Gelkje van Koten, een gepensioneerde onderwijzeres die in het dorp bekend stond als ‘de juffer’. Corrie was zogenaamd ‘uit de ouderlijke macht ontslagen’ en zodoende uit huis geplaatst. Ze fietste altijd naar school in Drachten, ’s winters ging dat op schaatsen, en op een keer kwam er iemand uit het dorp achter haar fietsen. ,,Ik weet wel dat jij een Jodinnetje bent”, had hij gezegd. ,,Ik zei: ‘dan weet jij meer dan ik’. Hij bleef er maar over doorgaan, dat hele stuk. Ik legde hem steeds maar uit dat ik slechte ouders had die niet voor me konden zorgen. Dat vond ik heel pijnlijk. Ik weet niet of hij mij geloofde, maar hij heeft me in ieder geval niet verraden.”

Balkenbrij

Ze had al op een aantal andere onderduikadressen gezeten voor ze in Friesland terecht kwam. ,,In Geldrop heb ik een maand boven een slagerij in een kamer opgesloten gezeten. Daar heb ik een trauma aan overgehouden. Ik heb nooit meer tegen de lucht van balkenbrij gekund. Die kwam daar door de vloer naar boven. Bij een oude dame in Amsterdam-West zat ik met nog drie Joodse mensen. Ik sliep in de mooie kamer op de canapé. Haar zoon was NSB’er. Als hij op bezoek kwam, moesten wij ons muisstil houden in die ene kamer van die andere mensen. We mochten niet hoesten, niet praten, niet plassen, niks. Op een gegeven moment moesten we daar weg omdat die mevrouw het niet meer aankon.”

Ook verbleef ze een aantal weken bij verzetsstrijder Hester van Lennep aan de Prinsengracht. ,,In de jaren negentig las ik haar verhaal in het boek Omdat hun hart sprak van Bert Jan Flim. Ik belde haar op. ‘Jij kleine krullenbol! Ben jij er nog?’, riep ze uit. Ik heb nog altijd goed contact met haar zoon Karel Baracs.”

Maar uiteindelijk belandde ze dus in Friesland. En juist in deze tijd van het jaar wordt ze herinnerd aan haar onderduiktijd in Drachtstercompagnie. ,,Als de meidoorn bloeit is het voor mij weer 18 mei 1943. Op die dag bloeide de meidoorn en liepen we door de Meidoornlaan, op weg naar juffrouw Van Koten.”

Haar moeder had haar naar het Weesperpoortstation in Amsterdam gebracht. Ze zei: ,,Daar verderop staat een mevrouw met een krant onder haar arm. Daar lopen we naartoe, dan loop ik door en blijf jij staan. Zij brengt je naar een plek waar je het goed zult hebben.”

En zo gebeurde het. Die mevrouw met die krant was iemand van het Amsterdamse studentenverzet. Zij bracht Sara, veertien jaar oud, met de trein naar Friesland. ,,Dat was het laatste wat ik mijn moeder heb horen zeggen.”

Vooruitstrevende vrouw

Juffrouw Van Koten was een vooruitstrevende vrouw. ,,Ze was lid van de antivivisectieclub, van de geheelonthoudersvereniging, van het Gebroken Geweertje, de anti-oorlogbeweging, en ze was vegetarisch. Ze was vijftig jaar ouder dan ik. Het hele dorp kwam bij haar om raad. Ze had een belangrijke sociale functie. ‘De juffer wit it wol’, zeiden ze. Zij voedde me ook op in een heleboel dingen. Vergeet niet dat een meisje van veertien in die tijd nog een kind was; de tieners van nu zijn veel wereldwijzer. Ze liet me van alles doen. Ik moest op naailes, helpen bij de boer - daar heb ik leren melken-, als de bakkersvrouw ziek was moest ik daar helpen, ik deed de was voor de kromme buurvrouw, ik leerde Fries spreken en schrijven. Ik werd overal ingezet en dat vond ik wel leuk. Hachelijke dingen heb ik niet hoeven meemaken.”

,,Dezelfde vrouw die mij had weggebracht kwam altijd voedselbonnen brengen. Op een keer nam ze een brief van mijn moeder mee. Die had ze geschreven in de Hollandsche Schouwburg. ‘Ik doe mijn kettinkje erbij’, schreef haar moeder. ‘Dan kun je dat teruggeven als ik terugkom.’ ,,Dat kettinkje met diamantje zat niet meer in de envelop. Gestolen waarschijnlijk. Ik heb die brief zitten spellen. Ik heb hem niet voorgelezen, dat was te emotioneel voor me. Ik verstopte hem achter de traploper. Bij een schoonmaak werd hij ontdekt. Ik moest hem verscheuren van juffrouw Van Koten. Dat was voor ons beider veiligheid beter, zei ze. Ik vond dat afschuwelijk. Ik voel het nog altijd, dat verscheuren. Dat was het eigenlijke afscheid van mijn moeder.”

Corrie hield een dagboek bij in de oorlog. Een aantal jaren geleden las ze er een gedeelte uit voor in het kader van Open Joodse Huizen, in het huis van Hester van Lennep. ,,Een vrouw stapte op me af en bood aan om dat dagboek uit te typen. Ik zei nee. Dat mag niet. Ik laat het aan niemand zien. Het zijn dingen van mij, ik heb geen behoefte om dat te delen. Iedereen heeft iets van zichzelf en dit houd ik voor mezelf. Dat verhaal zit van binnen. Ik weet nog niet wat er met het dagboek moet gebeuren als ik er niet meer ben.”

Verpleging

Na de oorlog bleef Corrie eerst bij juffrouw Van Koten wonen. In januari 1947 verhuisde ze naar Arnhem om de verpleging in te gaan. Het contact bleef. ,,Juffrouw Van Koten zei: we hebben de hele oorlog gejufferd en ge-Corried, voortaan zeggen we Sara en tante Gelkje tegen elkaar. Maar dat lukte niet, het zat er zo ingebakken. Daar moesten we altijd heel erg om lachen. Haar brieven ondertekende ze wel altijd met tante Gelkje. We hebben altijd warm contact onderhouden. Ze was familie van me geworden. We waren aan elkaar gehecht.’’

,,Ze was getuige op mijn huwelijk en verhuisde naar een vegetarisch bejaardenhuis in Oosterbeek om dichter bij mij te wonen. Later, toen mijn man en ik in Rotterdam woonden, verhuisde ze naar Eastermar. Ik weet nog dat ik haar opzocht in mijn deux-cheveauxje, wel twee keer per jaar. Dat was een hele reis. Ze was niet alleen de vrouw die mij onderdak heeft gegeven, ze was deel van mijn leven geworden. Mijn kinderen Henriette en Nancy hebben ook nog briefjes gestuurd naar tante Gelkje.”

Gelkje van Koten overleed in medio jaren zestig. Zo’n 25 jaar geleden is Puck in Drachtstercompagnie teruggekeerd. ,,Een schoolvriendinnetje van destijds belde me en zei dat er mensen waren die me nog wel eens zouden willen zien. We maakten er een dagje van. Ik wilde ook mijn kleinkinderen laten zien waar ik ondergedoken had gezeten. Ik nam bolussen uit Zeeland mee voor iedereen.”

Vijf jaar geleden keerde ze weer terug. ,,De historische vereniging vroeg me om een tentoonstelling te openen, maar alleen als ik nog aan de oorlogstijd herinnerd wilde worden. ‘Vanzelf’, zei ik. ‘Die vrouw heeft mijn leven gered.”

Pucks man Dé overleed veertien jaar geleden op 91-jarige leeftijd. ,,Hij was gepakt in de onderduik, heeft zeven kampen overleefd.” Zo hebben zij beiden een zware last van de oorlog moeten meedragen. ,,Het is een dik boek dat we meedragen. De oorlog is niet opgehouden in 1945. Er zijn wonden die nooit helen. Mijn hele familie is gedeporteerd en vermoord. Je bent alles kwijtgeraakt, en dat raak je nooit meer kwijt. Zeker op mijn leeftijd. Als je zo oud mag worden als ik en er steeds meer mensen om je heen overlijden, heb je alleen nog maar je verleden om in te leven.”

In 2011 overleed haar dochter Nancy, 57 jaar oud. ,,Dat was vreselijk voor me. Zij was mijn enige toeverlaat. Ik wilde zelf ook niet meer leven, maar toen zei mijn kleindochter: oma, wíj hebben jou toch ook nog nodig. Toen werd ik wakker geschud. En de vreugde die we tegelijk met het verlies beleven is dat haar kleinkinderen inmiddels ook kinderen hebben. Mijn derde achterkleinkind is onlangs geboren.”

Nieuws

Meest gelezen