‘Stikstof’ is fastfood voor planten. Een sluipend proces

‘Stikstof’ is fastfood voor planten. Sommige doen het er geweldig op, maar kritischer soorten zitten al gauw aan hun taks. Dat zie je terug in natuurgebieden die helemaal niet op die weelde zitten te wachten. Ze boeten in aan variatie.

‘Stikstof’ is fastfood voor planten.

‘Stikstof’ is fastfood voor planten. Illustratie: Job van der Molen

Begin over stikstof en er is vast wel iemand die snugger opmerkt dat 80 procent van de lucht die we inademen bestaat uit stikstof. Wat kan daar nou mis mee zijn? Stikstof wordt pas vervelend spul als het reageert met zuurstof (via verbranding) of waterstof (in de spijsvertering van dieren). Dan krijg je stikstofoxiden en ammoniak. In bescheiden doseringen zijn dit nog steeds nuttige voedingsstoffen voor planten. Ze vormen een probleem wanneer ze verwaaien en overmatig neerslaan op plekken met kwetsbare natuur.

Waar die stikstofverbindingen vandaan komen en wat je eraan zou moeten doen, dat zijn kwesties waarover belangenclubs, juristen en politici elkaar al twee jaar de maat nemen. Die discussie, daar lopen we nu even met een bocht omheen, om te focussen op de effecten van de voortgaande stikstofdepositie. Wat brengt die teweeg in het plantenrijk, vooral in natuurgebieden? Expert Henk-Jan van der Veen, boswachter namens Staatsbosbeheer voor zuidelijk Friesland en de Waddenkust, legt uit.

Vermesting

Er zijn planten die dol zijn op stikstofverbindingen die zich opstapelen in de bovenste bodemlaag. Braam en brandnetel worden steevast als eerste genoemd, ook door Van der Veen. In het grote geheel kun je zeggen dat het hun functie is om stikstofverbindingen op te nemen, zodat die andere soorten niet voor de voeten lopen. Maar ergens is de balans verdwenen.

Van der Veen: ,,Daar kun je geen vast moment voor aanwijzen. De stikstofneerslag is er al heel lang. Het is een sluipend proces. Je went er aan zonder dat je er erg in hebt. Als ergens een boom omvalt, dan zie je in een keer het verschil. Maar als bramen zich heel geleidelijk uitbreiden, dan gaat dat ongemerkt. Het begint bij een paar vierkante meter en jaren later ontdek je dat een bosje van voor tot achter in de bramen zit. Manshoog, zodat je er helemaal niet meer doorheen kunt.’’

,,In een normale situatie vind je brandnetels en bramen een beetje in vochtige randzones, waar humus of organische stof zich ophoopt. Maar je treft ze nu ook steeds meer op schaduwplekken in bossen zelf. Zelfs in wat meer drogere bossen en eikenbossen. Dat zie je bijvoorbeeld in Gaasterland gebeuren.’’

Verdringing

Wat in bossen gebeurt, speelt zich ook af in kwetsbare natuurterreinen die gedijen onder voedselarme omstandigheden. Denk dan bijvoorbeeld aan blauw- en schraalgraslanden, heidegebieden, duinen en zandverstuivingen, veengebieden en vennen. De omstandigheden horen er schraal te zijn, met een open vegetatie en planten die met weinig genoegen nemen. Dat lukt niet echt, blijkt ook uit de slechte Natura 2000-rapporten die Nederland krijgt.

Van der Veen: ,,Planten hebben een bepaalde tolerantiegrens. De een kan gewoon meer hebben dan de ander. Gevoelige planten in schraalgraslanden, zoals orchideeën, blauwe knoop, Spaanse ruiter, dopheide en bepaalde zeggensoorten zijn gevoelig voor concurrentie. Ze worden langzaam maar zeker verdrongen zodra stikstofliefhebbers zoals hennegras, kruipend struisgras, liesgras of witbol er doorheen komen. Eerst lijkt het mee te vallen, tot je het omslagpunt bereikt waarop die grassen zoden vormen waar voor andere planten bijna geen doorkomen aan is.’’

Nog een voorbeeld van een plant die de wind mee heeft door een teveel aan stikstof: het pijpenstrootje. Dat is een polvormige grassoort die best op zijn plaats is in graslandnatuur en veengebieden. ,,Maar waar hij normaal gesproken redelijk gedrongen blijft en prima kan samenleven met andere planten, zie je hem nu op plaatsen dominant worden en heel grote pollen vormen, waardoor-ie andere planten wegdrukt.’’

Wat deze grassen kunnen, dat doen mossen ook. Het grijs kronkelsteeltje is een berucht voorbeeld. Het wordt ook wel tankmos genoemd, naar verluidt omdat het voor het eerst werd aangetroffen in de sporen van legertanks, maar die bijnaam had ook kunnen slaan op de militante manier waarop hij vanaf de eerste vondst in 1961 het hele land heeft bezet, met een voorkeur voor open zandgronden en heide. ,,Het dekt als het ware de hele bodem af, waardoor andere planten er niet doorheen komen en niet meer de kans krijgen zich te verjongen. ‘’

Verzuring

Woekermossen profiteren niet alleen van de nutriënten in stikstofverbindingen, maar ook van de verzuring die ze mee veroorzaken. Zure regen is al lang niet meer zo’n issue als aan het eind van de vorige eeuw. Van 1990 tot 2017 is volgens het RIVM de zuurdepositie gehalveerd. De grootste winst is behaald door de aanpak van zwaveldioxiden, waarvan de uitstoot met 86 procent is verminderd. Het aandeel van stikstofverbindingen in de verzuring is ook met ruim 60 procent gedaald, maar ze zijn toch nog verantwoordelijk voor driekwart van alle zurigheid.

In gebieden waar de bodem of het grondwater kalkhoudend zijn, wordt dit stikstofeffect nog gedempt, maar in schrale vennetjes kan verzuring de balans doen omslaan. Van der Veen noemt als voorbeelden de Gaasterlandse Star Numanbossen en het Drents-Friese Wold. ,,Als zo’n kalkarm ven verzuurt, zie je dat een soort als de knolrus een veel groter deel van de bodem bedekt. Veenmossen grijpen de kans om drijvende matten boven in de waterkolom te vormen. Die verstikken op een gegeven moment alles wat er onder groeit. Dat gaat in het Drents-Friese Wold bijvoorbeeld ten koste van waterlobelia en oeverkruid, die afhankelijk zijn van kale oevers en wat golfslag.’’

In de bodem reikt het effect van verzuring dieper dan alleen de bovenste laag, zegt Van der Veen. Die raakt ook de mycorrhiza, het ondergronds web van wortelschimmels die symbiotisch samenwerken met planten en bomen. ,,Ze zorgen ervoor dat bomen ook in droge en voedselarme situaties over voldoende voedsel kunnen beschikken. Verzuring heeft een negatief effect op die schimmels, waardoor bomen gevoeliger zijn voor verstoringen in de nutriëntenbalans en vatbaarder worden voor ziekten en plagen.’’

VERSNELLING

We moeten het nog over de natuurlijke successie hebben. Dat is eenvoudig gezegd een ecologisch proces waarbij een kaal leefgebied in stappen toegroeit naar een stabiele leefgemeenschap. Dat begint met pioniersoorten en eindigt in een veel complexer climaxstadium. In onze contreien is die eindhalte in de meeste gevallen het bos, maar dat is niet per definitie het hoogste doel van natuurorganisaties. Juist de tussenstadia zijn interessant, zegt Van der Veen. Ook daar fietst de stikstofdepositie dwars doorheen.

,,Wij mikken als natuurbeheerder niet altijd op die begin- en eindstadia, maar zitten er vaak wat tussenin. Dat zie je het duidelijkst in die graslanden, waar de focus ligt op meer halfnatuurlijke landschappen, waar je met maaien en afvoeren van het maaisel die successie in een bepaald stadium houdt in het belang van de biodiversiteit. Stikstof stimuleert en bespoedigt de successie, waardoor je meer moet doen om zo’n natuurdoeltype in (dezelfde toe)stand te houden.’’

Om de ontwikkeling af te remmen en terug te draaien grijpen natuurbeheerders geregeld in. ,,Je kunt een dichtgegroeide ven opnieuw schoonmaken. Alle rotzooi eruit en hopen dat het zand weer kaal wordt. Net zo kun je duinen, heide en grasland afplaggen om die stikstofrijke bovenlaag weg te halen. Dat moeten we tegenwoordig vaker doen. Het is een steeds eerder terugkerend ritueel. Waar je vroeger terreinen om de vijftien jaar plagde, moet je nu misschien om de zeven of acht jaar al ingrijpen.’’

Verarming

Planten staan in de natuur niet op zichzelf. Ze maken deel uit van een voedselweb en een ecosysteem waarin soorten elkaar nodig hebben om te floreren. Als zij het slecht doen raakt dat ook de insecten, waarvan wel vaststaat dat die de afgelopen dertig jaar ook veel terrein hebben moeten prijsgeven. Dat werkt weer door op insectenetende vogels.

Zo hangt alles met alles samen, onderstreept Van der Veen, met nog eenmaal de brandnetel als voorbeeld. ,,Brandnetels zijn toch juist goed, zeggen mensen dan. Vlinders leggen er eitjes op en hun rupsen eten ervan. Maar dat betekent niet dat hoe meer brandnetels je hebt, hoe beter het gaat met die vlinders. Sterker nog, je ziet nou net aan de vlinders dat het niet best gaat. Brandnetels gaan ook ten koste van de biodiversiteit als ze groeien op de plek waar vroeger een koekoeksbloem stond. Dan neemt alleen de eenvormigheid in de natuur maar toe.’’

,,Stikstof is een beetje de fastfood onder de nutriënten. Het is een van de belangrijkste hoofdelementen voor een plant. Maar dan wel met mate. Zodra het te veel wordt, blijf je met de negatieve effecten zitten. Als je alle mensen alleen nog maar McDonald’s te eten geeft, houd je op een gegeven moment allemaal dikke mensen over. Zo is het ook een beetje met de natuur: geef je die te veel stikstof, dan krijg je vanzelf dikke-ik-planten als brandnetel en braam.’’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Stikstof
Het stikstofmoeras
Natuur en milieu
Agrarisch / Landbouw