50 jaar transplantaties in het UMCG: een halve eeuw experimenteren

Transplantaties behoren tot de paradepaardjes van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Dat was vijftig jaar geleden bepaald niet de verwachting, zo blijkt uit een boek dat onlangs verscheen over de uiterste ingreep.

Uit het boek Vijftig jaar transplantatiegeneeskunde in het UMCG.

Uit het boek Vijftig jaar transplantatiegeneeskunde in het UMCG.

De eerste transplantatie in Groningen in het voorjaar van 1968 was nog bijna niet doorgegaan als de politie de opererende arts, hoogleraar chirurgie Pieter Jan Kruijer, niet had weten te wekken door steentjes tegen zijn slaapkamerraam te gooien. Donororganen waren indertijd maar heel kort buiten het lichaam houdbaar dus moest de operatie per se nu, in het holst van de nacht. Het werd een erg lange maar uiteindelijk succesvolle ingreep.

In Leiden was twee jaar eerder de eerste niertransplantatie in Nederland uitgevoerd en internationaal waren er al meer patiënten met wisselend succes getransplanteerd. De artsen in Groningen durfden het toen nog niet aan omdat er eigenlijk nog geen goede methode was gevonden om afstoting van het orgaan te voorkomen. Pas toen er geschikte afweer-onderdrukkende medicijnen beschikbaar kwamen verrichtte een medisch team in het toenmalige APSAZ, het Algemeen Provinciaal Stads- en Academisch Ziekenhuis, de tweede niertransplantatie in Nederland.

Het was de vraag of orgaantransplantatie ooit een effectieve behandeling zou worden

Het experimenteren met transplantaties was vooral een wens van een aantal gedreven artsen, beschrijven historicus Rolf ter Sluis en gezondheidswetenschapper Roel Bakker in hun boek Van leren overleven naar leren over leven – Vijftig jaar transplantatiegeneeskunde in het UMCG . Van de directie hoefden de transplantaties niet zo nodig. Het was ook nog erg onzeker of de uiterste ingreep ooit in werkelijkheid een effectieve medische behandeling zou worden. Hoewel er al sinds mensenheugenis wordt nagedacht over het gebruik van organen van overleden mensen bleef het tot ver na de Tweede Wereldoorlog vrijwel onmogelijk. Dat kwam vooral doordat het menselijk lichaam het vreemde orgaan automatisch afstoot.

Om enige kans te maken op een goed werkend nieuw orgaan, bleek niet alleen de bloedgroep van de donor en ontvanger bij elkaar te moeten passen. In de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog werd er meer bekend over dat ook het weefseltype en andere kenmerken van donor en ontvanger moeten matchen. En dan nog gaat het normale menselijke afweersysteem zo’n nieuw orgaan meteen te lijf.

Die afweer werd bij de allereerste transplantaties, buiten Groningen, nog onderdrukt door een totale lichaamsbestraling. Een behandeling met veel bijkomende schade. Het werd pas een meer realistische behandeling nadat er betere medicijnen kwamen om de afweer te onderdrukken.

De Bruintje Beer-procedure: patiënten van top tot teen in de jodium

Omdat hun afweersysteem rigoureus was platgelegd, was het bij de eerste experimentele niertransplantaties in Groningen daarom zaak kostte wat het kost te voorkomen dat de patiënten een of andere besmetting of infectie zouden oplopen. Voor de ingreep werd daarom hun hele huid ingesmeerd met jodium. In het ziekenhuis spraken ze over de Bruintje Beer-procedure.

Op een nieuwe verpleegafdeling van wat het AZG ging heten, het Academisch Ziekenhuis Groningen, kwam een geïsoleerde gang voor vier transplantatiepatiënten, met ‘omgekeerde isolatie’. De afdeling A3 Niertransplantatie heette onder medewerkers al snel de A3 Isolatie; door overdruk en luchtsluizen was de afdeling hermetisch afgesloten. Voedsel en drank werd van tevoren gesteriliseerd voor het naar binnen ging, alle bezoek en medewerkers moesten eerst via een sluis en in beschermende bruine kleding. Communicatie met de buitenwereld kon alleen via de telefoon.

Succes in nier- en levertransplantaties

Tot 1975 werden in Groningen hoogstens twintig niertransplantaties per jaar gedaan. Daarna ging het sneller en in 1981 stond het totaal in Groningen op 355 niertransplantaties. Met een behoorlijk succes; 87 procent van de patiënten was na tien jaar nog in leven.

Tien jaar later bij de eerste levertransplantatie verliep het minder goed. De patiënt overleed op de operatietafel. Niet heel bijzonder want levertransplantaties in de Verenigde Staten en Engeland waren ook al niet zo’n succes geweest. De tweede levertransplantatie in Groningen ging beter. De patiënt leefde volgens de schrijvers van het jubileumboek vorig jaar nog steeds en is daarmee een van de langst levende ontvangers van een levertransplantatie ter wereld.

De directie van het AZG werd er door de artsen pas later over ingelicht. Geneesheer-directeur Jan-Willem van der Kouwe was not amused . In een brief liet hij weten dat de directie alleen had mogen besluiten om zulke operaties uit te voeren, want transplantaties zijn enorm kostbaar en leggen een grote druk op de rest van het ziekenhuis. En als er één levertransplantatie wordt gedaan, wordt zoiets in praktijk al snel een vast onderdeel van het behandelpakket.

Topkwaliteit in transplantaties ontwikkelt zich in de luwte

Groningen was niet echt voorbestemd om een internationaal vooraanstaand centrum voor orgaantransplantaties te worden. Daarvoor had het academisch ziekenhuis niet de budgetten, broodnodig voor innovatie en onderzoek. Het succes lag volgens de schrijvers dan ook vooral aan het eigenwijze doorzettingsvermogen van de artsen die aan de wieg stonden van het transplantatieprogramma en aan de schaalgrootte van de Groningse academische kliniek. De kennis, de laboratoria, de kliniek: alles was onderling op loopafstand beschikbaar.

Wat ook meespeelde was de afstand tot de Randstad. De onderzoekers en artsen konden in Groningen betrekkelijk in de luwte experimenteren. Het huidige UMCG is daardoor uitgegroeid tot een van de vooraanstaande centra voor transplantaties, en het enige ziekenhuis waar álle vormen van transplantaties gedaan worden, van nier- en levertransplantaties bij volwassenen en kinderen tot hart-, huid-, stamcel- , dunnedarm- en buikwandtransplantaties.

De kosten zijn wel bijzonder hoog, zowel in geld als in de hoeveelheid personeel dat ervoor nodig is. In het jubileumboek staat een groepsfoto van nog niet eens álle medewerkers in het UMCG die aan een normale niertransplantatie meewerken. Meer dan tweehonderd artsen, verpleegkundigen, laboratoriummedewerkers, maatschappelijk werkers en ondersteunend personeel.

Minder doden = minder orgaandonors, dus worden minder geschikte organen opgelapt

Het is altijd spannend of een orgaan het goed blijft doen in een nieuw lichaam. Maar al te vaak gaat een nieuw orgaan een jaar of tien mee, waarna weer een nieuwe operatie nodig is. Als er tenminste een donororgaan beschikbaar is, iets wat de laatste jaren steeds lastiger is. Ondanks dat de wet op orgaandonatie inmiddels is veranderd zodat mensen automatisch toestemming verlenen als ze niet uitdrukkelijk aangeven het níet te willen.

Wat dat betreft zijn patiënten die op een donororgaan wachten een beetje het slachtoffer van de sterk verbeterde veiligheid en medische wetenschap. Er gaan gewoon minder mensen op jonge leeftijd dood, en organen van ouderen en van kankerpatiënten zijn geregeld niet geschikt.

Maar ook op dat vlak werken de onderzoekers in het UMCG aan oplossingen. Zo was het UMCG in Nederland het eerste ziekenhuis met een zogeheten perfusiekamer, waar voor donatie afgekeurde organen worden opgeknapt. Longen, nieren, levers en andere organen worden in de perfusiemachine aangesloten op slangetjes waarmee ze langer ‘in leven’ worden gehouden en waardoor de organen zelfs verbeteren.

Gevolgen van transplantatie op langere termijn kunnen psychisch van aard zijn

Een ander probleem is dat veel transplantatiepatiënten het puur medisch gezien wel overleven, maar het na een tijdje toch op allerlei manieren moeilijk krijgen. Doordat hun weerstand onderdrukt wordt om afstoting van het orgaan te voorkomen, krijgen ze vaker kanker en andere ziektes. Vrij veel transplantatiepatiënten worden te dik en krijgen ziektes zoals diabetes en hart- en vaatziekten. Dat komt waarschijnlijk deels door de medicijnen, maar ook doordat deze patiënten ernstig ziek waren toen ze op hun orgaan wachtten. Ze waren dus gewend aan weinig bewegen, met de nadelige gevolgen van dien.

Ook krijgen veel transplantatiepatiënten psychische klachten, blijkt uit onderzoek van het UMCG. Dat kan komen door de schok van het nieuwe leven na jaren van onzekerheid op de wachtlijst voor een nieuw orgaan, maar ook vanwege door het besef verder te leven met het orgaan van iemand anders. Bovendien kan het lastig zijn om weer grip op het leven te krijgen, stellen de schrijvers van het jubileumboek vast. De verwachtingen die patiënten voorafgaand aan de transplantatie hadden over een veel beter leven, komen niet altijd uit.

De laatste hoofdstukken van het boek gaan over de overgang van de medische ingreep naar de zorg op langere termijn. De oprichting van het Transplantatiecentrum, het werken aan de conditie en leefstijl in het revalidatiecentrum, het maatschappelijk werk en specialistische verpleegkunde. En over de patiëntenadviescommissie, die vragen krijgt voorgelegd als ‘wat te doen met patiënten in de Duitse grensregio?’ De gemiddelde wachttijd op een nier is in Duitsland zeven jaar en in Nederland twee tot drie jaar. Dat komt door de strengere regels in Duitsland. Maar elke transplantatie bij een Duitse patiënt betekent een nier minder voor Nederlandse patiënten, wat vindt de patiëntencommissie daarvan?

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra