Met de expositie 'Vrouwenpalet' wil Museum Drachten 'iets rechttrekken'

Lou Loeber - Zelfportret (1921) Foto: Rene den Engelsman

Omdat er weinig aandacht voor was, lijkt het alsof er in de eerste helft van de twintigste eeuw nauwelijks vrouwelijke kunstenaars actief waren. Niets is echter minder waar, zo getuigen Museum Drachten en Museum De Wieger met de dubbeltentoonstelling Vrouwenpalet 1900-1950, haar kunst, haar verhaal.
Lees meer over
Beeldende kunst

‘Aan de meeste schilderessen is ’t persoontje meer bezienswaard dan het werk’, zo oordeelde August Allebé, directeur van de Amsterdamse Rijksakademie aan het eind van de negentiende eeuw. Hoewel een geliefd docent dacht hij nog zeer traditioneel over de rol van de vrouw. Elisabeth Stoffers en Nelly Honig behoorden in 1898 tot de eerste vrouwen op de Rijksakademie. Allebé: ‘Mijn lesgeven aan Juffr. Nelly Honig was louter oogenliefhebberij – iets anders dacht ik niet daarbij.’

Stoffers hield zich ogenschijnlijk aan de typisch vrouwelijk geachte onderwerpen, zoals landschappen. Maar negen jaar na haar dood werd een serie pasteltekeningen uit 1915-1918 ontdekt. Ze bleek al vroeg te hebben gekozen voor een abstracte stijl, in een medium dat makkelijker was dan olieverf. Als moeder en huisvrouw heeft ze de tekeningen waarschijnlijk kunnen verstoppen voor man en kinderen.

Jacoba van Heemskerck en haar levenspartner Marie Tak van Poortvliet namen een belangrijke plek in binnen de kunstenaarskolonie Domburg. Ze kwamen in contact met Piet Mondriaan en Jan Toorop, met wie ze dezelfde ideologie deelden: theosofie en antroposofie. Van Heemskerck toonde op gezamenlijke exposities haar kubistische werk, maar voelde zich in Nederland niet thuis. ‘De meeste kunstenaars vertrouw ik helemaal niet. Die willen liever niet dat een vrouw verder komt’, zei ze.

In 1931 bracht Paul Citroen het boek Palet uit, dat gewijd is aan de Nederlandse hedendaagse schilderkunst. Museum Drachten baseerde er de tentoonstelling Palet van het Interbellum op, die in 2013 werd georganiseerd in samenwerking met Museum De Wieger in Deurne. Onder de 53 beschreven kunstenaars waren Else Berg, Anne Marie Blaupot ten Cate en Charlotte Toorop de enige vrouwen, en daar stond niemand bij stil.

Noodzaak

Echter, toen museumdirecteuren Nieske Ketelaar en Katjuscha Otte in 2019 nadachten over hernieuwde samenwerking, besloten ze om de blik juist wél te richten op de vrouwen uit de bewuste periode. Om iets recht te trekken. ‘Het sterke accent op kunst door vrouwen is nu nog noodzakelijk, maar van gelijkheid is pas sprake als we juist géén bijzondere nadruk meer hoeven te leggen en we vrouwen en mannen behandelen als de gelijken die zij zijn’, schrijven ze in hun voorwoord van de catalogus.

In het boek staan portretten van de 24 kunstenaars waaraan beide musea deze zomer aandacht besteden. Bovendien is er in enkele algemene hoofdstukken aandacht voor hun positie in de kunstwereld en voor de keuzes die ze maakten tussen ‘vrijen of werken’.

Naaktmodel

Sinds de eerste feministische golf rond 1870 konden vrouwen naar de academies. Tot die tijd was tekenen gezien als een onderdeel van een goede opleiding tot een geschikte huwelijkskandidate, en was schilderen voor vrouwen vooral een hobby en niet een volwaardig beroep. De vrouwen werden in eerste instantie echter uitgesloten van bepaalde lessen in ‘verband met de goede smaak’.

De lessen anatomie of met naaktmodel waren nodig voor mythologische voorstellingen of historiestukken, werk dat hoger werd ingeschat dan portretten of bloemstillevens. Vrouwen die deze lessen niet kregen, konden daardoor niet meedoen aan wedstrijden zoals de Prix de Rome, waar het werk naar mannelijk naaktmodel een van de vereisten was. Allebé was de laatste directeur die op zijn academie vrouwelijke studenten toegang gaf tot álle lessen, ook het schilderen naar naaktmodel. Dat was in 1896.

De dames die een opleiding volgden, kwamen meestal uit gegoede milieus. Ze moesten zich niet alleen bevrijden van vooroordelen in hun eigen klasse, maar liepen ook vast in het conservatisme van de academies. Voor velen van hen - zeker voor de kunstenaars van Vrouwenpalet - bood Parijs met particuliere scholen en vrije ateliers uitkomst. Ze ontmoetten er collega’s en maakten vriend(inn)en, ze werden lid en exposeerden bij internationale kunstenaarsgroepen, en ze maakten er kennis met allerlei nieuwe stijlen en stromingen zoals het kubisme, pointillisme en (abstract-)expressionisme.

Zo had Jacoba van Heemskerck les bij Atelier Carrière, waar mannen en vrouwen gezamenlijk lessen volgden. Hier studeerden kunstenaars die later tot de internationale avant-garde hoorden, zoals Henri Matisse, André Derain en Pablo Picasso, die in hetzelfde jaar arriveerde als Van Heemskerck. Charlotte van Pallandt hield van Parijs omdat niemand haar aristocratische afkomst kende. ‘Je bent anoniem en zo kun je je helemaal geven.’

Kritiek

Vrouwelijke kunstenaars konden hun werk verkopen via kunstenaarsverenigingen of galeries. Goede recensies waren dan van belang. De mannelijke critici besteedden echter heel weinig aandacht aan de vrouwen. Toen Else Berg in 1937 meedeed aan de jaarlijkse tentoonstelling van de Hollandse Kunstenaarskring schreef een belangrijk recensent: ‘Drie vrouwen exposeeren mee met de schilders.’ Waarbij hij er voor het gemak aan voorbij ging dat Berg al vanaf 1916 bijna elk jaar deelnam en zelfs in het bestuur van de vereniging had gezeten.

De aandacht voor vrouwelijke kunstenaars in Nederlandse tijdschriften en kranten was uiterst gering. Degenen die afweken van de gangbare onderwerpen en stijlen - en dat deden zij van Vrouwenpalet - werden neergezet als ‘mannelijk’. En niet alleen door critici. ‘Mondriaan bijvoorbeeld was de mening toegedaan dat de vrouwelijke aard was verbonden met het fysieke en aardse, en dus met realistische kunst. Het mannelijke was gekoppeld aan het geestelijke en abstracte’, zo vermeldt Vrouwenpalet .

Lotti van der Gaag - die op eigen gelegenheid lessen volgde bij Zadkine - vond woon- en werkruimte in het zelfde Parijse pakhuis als de Nederlandse CoBra-kunstenaars Appel en Corneille. Haar beeldhouwwerk sloot naadloos aan bij hun beeldtaal, maar ze wilde niet opgenomen worden in een publicatie over de groep, toen ze nog in het huis woonde. ‘Ik dacht: dat geeft een reuze rotzooi.’ Ze wist daarentegen geheel op eigen kracht naam te maken en geldt als een vernieuwer van de Nederlandse beeldhouwkunst.

Vrijen en werken

De vrouwen hadden niet alleen te maken met een soms vijandige buitenwereld, ook binnenshuis was het niet altijd koek en ei. Niet elke echtgenoot wilde dat zijn geliefde na het ja-woord actief bleef. Bij Mies Elout-Drabbe en haar man Paul Elout veroorzaakte dat spanningen, zei ze eerlijk. Maar ze bleef werken en ze bouwde een atelier in haar achtertuin in Domburg waar het een komen en gaan werd van schrijvers en schilders.

Lotti van der Gaag wees een aanzoek van Kees van Bohemen af omdat ze van hem moest stoppen met werken na hun trouwen. ‘Dat vond ik onredelijk, daarom is het ook uitgegaan.’ Bij anderen leidde de kwestie tot scheidingen of afgebroken carrières. ‘Het is altijd weer dat: strijd tusschen vrijen en werken. Samen gaat haast niet – bij mij tenminste; strijd tusschen vrouw zijn en scheppende werken’, aldus Charley Toorop.

Ondanks alle tegenwind maakten vrouwen werk dat niet onderdeed voor dat van hun mannelijke collega’s. Als er iets duidelijk wordt uit Vrouwenpalet dan is het dat wel. Aan de hand van honderd werken - in elk museum ongeveer vijftig - vertellen beide musea de verhalen van de 24 hoofdpersonen. Halverwege de expositieperiode wisselen de werken van locatie.

Drachten - Museum Drachten: Museumplein 2, di t/m zo 11-17 u, 9 juli t/m 20 nov, www.museumdrachten.nl

Deurne - Museum De Wieger: Oude Liesselseweg 29, di t/m zo 12-17 u, 9 juli t/m 20 nov, www.dewieger.nl

Catalogus Vrouwenpalet 1900-1950 haar kunst, haar verhaal (160 pag) kost 26,95 euro. Via @vrouwenpalet_womenartists zijn de verhalen van de kunstenaars te lezen op Instgram.

Nieuws

menu