Jacob Haagsma vindt troost in 'Trilogie de la mort', het elektronische meesterwerkvan Eliane Radigue (90). De dood is een fase, een tussenstaat, maar zijn versterker gaf er bijna de geest bij | column

Jacob Haagsma. FOTO ANNET EVELEENS

Er zijn van die artiesten die pas de krant halen als ze dood zijn. Eliane Radigue had van die categorie kunnen zijn, met als belangrijk verschil: ze leeft nog. Deze week werd ze 90. Dus sta ik graag even een column lang stil bij deze bijzondere dame.

Eliane Radigue is Frans, maar doet toch niet aan chansons – helaas, Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps. Eliane Radigue is een componiste, en wel van het serieuze soort. Ze is een van de pioniers in de experimentele elektronische muziek, een genre waarin vrouwen toch al een belangrijke plek hebben. Met vakzusters als Laurie Spiegel, Delia Derbyshire en Pauline Oliveros schitterde ze vorig jaar in de documentaire Sisters With Transistors .

Een van Radigues bekendste en belangrijkste werken is Trilogie de la mort , ‘trilogie des doods’. Ja, daar is-ie al, de dood. In dit geval zelfs op een heel wrede wijze. Ze had het eerste deel, Kyeda , nog maar net af of haar zoon liet het leven, bij een verkeersongeluk in 1988. Logisch dus dat ze Kyeda aan hem opdroeg, en even logisch als dapper dat ze deze trilogie toch afmaakte.

Vrede, verlichting, over de kling

In de jaren zeventig al bekeerde ze zich tot het boeddhisme, die levensbeschouwing annex religie die de wereld mindfulness schonk, en het streven naar vrede en verlichting. Maar omdat het leven nooit zo simpel in elkaar zit: de boeddhistische meerderheid in Myanmar, voorheen Birma, is niet te beroerd om de Rohingya-minderheid, moslims, het leven zuur te maken, of zelfs over de kling te jagen.

Radigue wil niet hebben dat je haar muziek als ‘boeddhistisch’ beschouwt, maar toch komt dit stuk nog het dichtste in de buurt. Ze liet zich inspireren door de Bardo Thodol , beter bekend als het Tibetaanse Dodenboek. Maar letterlijk vertaald betekent die titel ‘Bevrijding door horen (of luisteren) in de tussenstaat’, en kijk, dan zijn we waar we wezen willen.

Luisteren zullen we, naar de subtiel verschuivende drones, de overlappende geluidsvelden en frequenties, de tonen die tegen elkaar lijken te botsen en dan gaan pulseren, daarbij onze afspeelapparatuur danig op de proef stellend – ik dacht even dat mijn versterker de geest ging geven, zo kraakte het geval op zeker moment.

Sluimerend godsbesef

Dat ‘tussenstaat’, daar gaat het even om. ‘Intermediate states’ is de ondertitel van Kyeda , en zo zien de boeddhisten de dood dan ook: als een fase in een continuüm, een eeuwige cyclus. Dat vind ik een troostende gedachte, ook al snap ik het niet precies. En dat er ‘luisteren’ aan te pas komt, intensief luisteren naar elke zorgvuldig geplaatste nuance die Radigue aan haar synthesizer (een ARP 2500, voor de liefhebber) onttrok, prikkelt mijn altijd sluimerend godsbesef net even meer.

Boeddhisme speelde ook een rol bij Arthur Russell: cellist, avantgarde-componist , protegé van beatdichter Allen Ginsberg , bijna lid van Talking Heads en, misschien zag u die niet aankomen, invloedrijk mede-uitvinder van de elektronische dansmuziek. Bij zijn nachtelijke strooptochten op de New Yorkse dansvloeren, jaren 70, kreeg hij de lumineuze ingeving om zijn experimentele compositie-principes te koppelen aan de minimalistische discoritmes van toen.

Eureka! Verlichting op de dansvloer! House voor het house werd! Het heeft Arthur Russell niet kunnen redden. Hij overleed in 1991, op zijn 40ste, aan aids. Naar de tussenstaat.

Nieuws

menu