Kalm avontuur op de Turfroute, trapsgewijs varen

Geel, groen of oranje? In eigen land hebben we nergens mee te maken. We gaan coronaproof op pad in de regio en varen de Turfroute. En nog atmosfeervriendelijk ook.

In Gorredijk.

In Gorredijk. FOTO THEO ZANDSTRA

Het Polderhoofdkanaal voelt als de Hof van Eden. Een oase van rust, een paradijsje dat zich achter de entree in De Veenhoop ontvouwt als een troostende knuffeldeken. Tevreden tuffen we met een slakkengangetje over het opvallend kalme water van de noordelijke Turfroute. Op naar Nij Beets!

Op het kanaal verdwijnt de hoogspanning die ons even eerder nog messcherp hield: een stevige westenwind in de flank maakte de ronding van Kaap De Veenhoop – een niet al te brede beweegbare brug plus sluis – tot een omslachtig akkefietje. De test doorstaan we met glans, dat wil zeggen: schadevrij. (Helaas blijft dat deze trip niet zo.) We varen stapvoets (de topsnelheid) langs schattige huisjes en boerderijen, dwars door het land. Weg zijn alle sores en dagelijkse beslommeringen.

Het Polderhoofdkanaal is sinds 2015 geschikt gemaakt voor doorvaart van vaartuigen van niet al te veel omvang. Daarmee is het een verkortende vaarweg voor de pleziervaart tussen de regio’s Lauwersmeer-Drachten en Appelscha-Drentse Hoofdvaart: het voorkomt een flinke omweg over Grou-Akkrum. Naar verluidt heeft openstelling lang op zich laten wachten omdat niet alle aanwonenden de geneugten van het kanaal wilden delen. Heel begrijpelijk, al weten we vrij zeker dat het massale watertoerisme – zoals dat andere delen van Friesland ’s zomers in de greep houdt – hier niet snel zal toeslaan.

Langs de weg kopen we verbazend lekkere zuivel van Buurvrouw Durkje

Damshûs

Vlak na de karakteristieke 90-gradenbocht in Nij Beets meren we af aan stuurboordzijde bij het prachtige openluchtmuseum Damshûs dat het verhaal van de turfwinning vertelt aan de hand van tot de verbeelding sprekend origineel materiaal. Het laat een frisse indruk achter, net als de bui die ons terug aan boord jaagt.

Iets verder wacht naast het historische Sudergemaal de Zuidersluis, tevens entree tot de Nije Feart die ons morgen naar Gorredijk brengt. Voor de nacht leggen we aan op een van de vrije ligplaatsen van de Marrekrite (zie kader). De avondzon breekt door en nodigt uit tot een wandeling. We treffen de ‘winkel’ van Buurvrouw Durkje (zie ook www.buurvrouwdurkje.nl ). Uit haar zelfbedieningskoelkast op het erf vissen we heerlijke ambachtelijk gemaakte boerderijkaas, fantastische volle bioyoghurt en echt gekarnde karnemelk. Ook het afrekenen is selfservice; het wisselgeld vis je uit het geldkistje.

Onze avond kan niet kapot, hoewel jeugd met speedboten een uur zijn best doet het tegendeel te bewerkstelligen. Zon, riet en schitterende plattelandse wolkenluchten. Kaasje, wijntje, knabbeltje. Het ultieme vakantiegevoel. Wie zei dat je daarvoor naar het buitenland moet?

Het brug- en sluiswachtersduo Wessel en Jarno voert in Gorredijk een schouwspel op.

Pièce de resistance

Gestaag naderen we het pièce de resistance van ons traject: liefst tien bruggen en een sluis op korte afstand van elkaar dwars door het centrum van Gorredijk. Al voor de brug van Terwispel bellen we het plaatselijke zenuwcentrum (het telefoonnummer staat op een bord bij de brug). Vanaf dat moment zijn we in de sturende handen van het duo Wessel en Jarno, dat pianissimo en quatre-mains het Gorredijkster waterorgel bespeelt. Een heerlijk traag samenspel van boten uit twee richtingen (‘omhoog’ en ‘omlaag’ in vaktaal), van timing, geduld en gastheerschap. Het tweetal slaagt op alle punten.

Terraszitters genieten van het doorlopende schouwspel waarin de beide brug- annex sluiswachters ogenschijnlijk acrobatische capriolen uithalen om de sluisdeuren en brugdelen in beweging te krijgen. We krijgen van Wessel toestemming om een uurtje in de dorpsgracht te bivakkeren om proviand in te slaan. Pal voor de kledingtempel van Rinsma meren we af. Twee grote supermarkten zijn via de steeg bereikbaar, maar veel belangrijker: ertegenover zit Yanti, een Indonesische toko en een mediterrane delicatessenzaak ineen. Onze kombuiskoelkast raakt tot aan de rand gevuld.

Na de onvergetelijke doortocht in Gorredijk bevaren we de Opsterlânske Kompanjonsfeart, die bezaaid ligt met zelfbedieningsbruggen: aanleggen, weg afsluiten, opendraaien, erdoor varen, aanleggen, dichtdraaien, weg openen en door. Gelukkig heeft de plaatselijke jeugd het oog er scherp in; bijna alle bruggen worden voor ons opengedraaid in ruil voor een paar munten in een klomp aan een hengel. Op de vraag wat het kost krijgen we te horen dat we dat zelf mogen bepalen.

Moskou en Petersburg

De rode loper van waterwegbewaker Jonkman voert ons soepel langs Klein Groningen, Moskou en Petersburg.

We doorkruisen het territorium van sluiswachter Jonkman, die al wat jaartjes geleden als Arie in hartje Drenthe werd geboren. De praatgrage waterwegbewaker, tevens campinghouder en voorheen varkensboer, type ruwe bolster getooid met cowboyhoed, ontvangt al meer dan twintig jaar zijn kanaalgasten met alle égards. Wie goed doet, goed ontmoet is zijn motto.

Met Jonkman bespreken we onze doorvaart voor de volgende dag. Obstakels: een zwik (zelfbedienings)bruggen en een stelletje sluizen. Handicap: om half vijf ’s middags gaat alles op slot. Extra handicap: overmorgen is het zondag, dan blijft elke sluis en brug de hele dag op slot (behalve in juli en augustus). Ons doel: het haventje van Oldeberkoop, alwaar we onze verplichte zondagsrust een beetje gezellig hopen te ondergaan. Het is een fiks eind varen en dat met maximaal 5 kilometer per uur.

Het knarst even onder Jonkmans cowboyhoed en dan zegt hij dat het kan. Hij memoreert de schepen die ‘omlaag’ gaan (onze tegenliggers dus), en stelt gerust: hij houdt wel even ruggenspraak met z’n collega’s. De volgende dag glijden we als over een rode loper naar Klein Groningen, waar het kanaal een haakse bocht maakt richting Moskou en Petersburg. De buurtschappen vertegenwoordigen een veel mooiere streek dan hun namen suggereren. Hier en daar zien we een datsja.

Tsjongervallei

Bijna stiekem schuifelen we langzaam de stilte van de Tsjongervallei binnen.

Na Donkerbroek wacht met Sluis III de scherpe bocht naar de Tsjonger. Rechtdoor zou ons in Oosterwolde en Appelscha hebben gebracht, nog een paar meter stijgen. Wij gaan omlaag. Het verval van ruim 3,5 meter is best indrukwekkend.

Na het kruisen van de provinciale weg varen we de Tsjongervallei binnen. Met fietsers en wandelaars delen we een stilte die slechts door natuurgeluiden wordt doorboord. Vogelgefluit. Een koekoek. Een meeuw. Zwaluwen. Aalscholvers. Bijna stiekem schuifelen we langzaam een leefruimte binnen die niet de onze is, maar wel prachtig. Hier bewijst onze zonnecelboot zijn buitengewoon goede diensten, zo vinden ook mensen op de wal die met een ssst-gebaar en een duim omhoog hun goedkeuring tonen.

Het schutten in Sluis II gaat goed, maar bij het uitvaren schampt de achterkant van de boot aan stuurboord net even langs een hardstenen rand van de sluiskant. Kras 1. K’tsjing! 50 euri. Desondanks zijn we voldaan. Na zeven uren varen nemen we intrek in De Uutwiek: het bescheiden en knusse haventje van Oldeberkoop. Kosten: 1 euro per nacht en 1 euro per meter. De havenmeester schat de boot op 11 meter.

Oldeberkoop

We krijgen bezoek van de kleine Tibbe die graag eens aan boord wil kijken.

De verplichte vaarloze zondag gebruiken we aangenaam met een smakelijke uitgebreide lunch op het terras van hotel-restaurant Lunia, trekpleister van de regio. ’s Middags willen we in de haven water innemen maar we krijgen de dop niet van het reservoir, wat we ook proberen. Het Bootboek zegt dat de sluiting eenvoudig is te openen met een euromunt. We vinden hulp bij Herman Rijpkema uit Sneek die samen met zijn vrouw, hun hond en kruiser als enige andere gasten in het jachthaventje liggen. Een waterpomptang met een 2-euromunt doet het. Voor water rekent de havenvereniging 50 cent. Er hangt een geldkastje naast de kraan.

Het zoontje van een jong gezin dat neerstrijkt aan een van de picknicktafels toont veel interesse in boten, de onze in het bijzonder. Tibbe heet hij en zal een jaar of 4 zijn. We zeggen dat hij best even mag komen kijken. Hij vindt het geweldig, opent alle kastjes, luiken en deuren: ,,Kijk papa: een douche!” Hij weet het zeker: ,,Ik wil later ook een boot!”

De dorpssupermarkt in het fraaie centrum van Oldeberkoop verschaft ons de proviand voor de laatste twee dagen waarna we al heel vlot voor de deuren en de brug van Sluis I liggen. We zien een mooie sluiswachterswoning en een dakrand van het gemaal dat is vol gemetseld met zwaluwnestjes, een stuk of tien. Volgens de sluiswachter – herkenbaar aan het tenue met daarop Turfroute – waren dat er twee jaar geleden nog wel vier keer zoveel. Onze vrijwel laatste serieuze hindernis laat indruk achter: ditmaal is het lakwerk aan bakboord niet bestand tegen de ruwe steen van de sluismuur. Kras 2. K’tsjing! Weer 50 euri.

We brengen een dag en een nacht door in een van de meest serene natuurgebieden waar we ooit verbleven. Ligplaats nr. TJ06 van de Marrekrite hebben we helemaal alleen (er kunnen circa vier boten liggen). Wat een stilte! En druk is het hier ook zeker niet, ondanks het stralende weer. Gedurende de hele dag tellen we vijf passerende schepen. ’s Nachts blijkt het evenwel gedaan met de rust. We gaan slapen onder begeleiding van een oorverdovend kikkerconcert.

Via Mildam en Heerenveen eindigt de volgende dag ons turfgeïnspireerde avontuur. Een volgende keer doen we het Drentse deel.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opsterland