Jarige Stellingwerver schrijver Johan Veenstra (75) wil niet dood: 'Et is zo zinloos. Een verspilling van alles, van de kennis, van de liefde'

Columnist en schrijver Johan Veenstra uit Nijeholtpade is woensdag 75 jaar geworden. Hij viert nog een jubileum: Veenstra schrijft 50 jaar in de Leeuwarder Courant verhalen in de Stellingwerver taal.

Schrijver Johan Veenstra. 75 jaar, 50 jaar in de LC.

Schrijver Johan Veenstra. 75 jaar, 50 jaar in de LC. FOTO RENS HOOYENGA

De telefoon heeft hij in de keuken gelegd. ,,Ik wor de hiele dag beld”, zegt Johan Veenstra terwijl hij thee in de kopjes met een bloemmotiefje schenkt. ,,Gebakkien?” Het is een vreemde verjaardag, vindt hij. Even later gaat de deurbel en de bezoeker begint uit volle borst Lang zal hij leven te zingen. Een vriend en zijn vrouw die hem toch even willen feliciteren. De mailbox is volgestroomd met felicitaties, ook van mensen die hij niet kent.

Al die aandacht is niet zo verwonderlijk. Dinsdag maakte Veenstra in zijn column, getiteld Jubeljaor , gewag van zijn verjaardag en van het schrijversjubileum. Vijftig jaar deelt Veenstra in de Stellingwerver taal lief en leed met de lezers. Hij debuteerde indertijd onder hoofdredacteur Jacob Noordmans (1928-2017). Daar zat geen plan achter. ,,Ik stuurde zomar wat riempies naor de kraante. En tot mien verbaozing belde hi’j me en zee dat hi’j ok wel wat verhaelen van me hebben wol.”

Veenstra, geboren en getogen in Nijeholtpade, had kort daarvoor ontdekt dat hij verhalen kon en wilde schrijven in zijn moerstaal. Dat was nadat hij het eerste in het Stellingwerfs uitgebrachte boek De oolde pook van H.J. Bergveld woord voor woord had verslonden. ,,Om schrieven en lezen te kunnen in de eigen tael, dat was veur mi’j een soort van eupenbaoring.’’

Mooie meid in de fontein

De inspiratie voor de verhalen haalt hij uit alledaagse gebeurtenissen. Een gesprek met kennissen, een berichtje in de krant of hij haakt in op een actuele gebeurtenis in de plaatselijke politiek. De meeste verhalen voor de krant zijn luchtig van toon. ,,Ik hou wel van een beetje humor.” Immers, lezers hoef je ’s morgens niet met al te zware kost te vermoeien. Wolvega wil bijvoorbeeld meer toeristen trekken, Veenstra heeft daar wel een antwoord op. ,,Plaats, net zoals in de film Dolce Vita van Fellini, een fontein op het plein voor het gemeentehuis en laat ieder uur een mooie meid daar een duik in nemen. Je weet wel, zoals Anita Ekberg dat in de film deed.” Veenstra moet er zelf om grinniken. Hij ziet het voor zich. ,,Mar niet op rekenen dat ze naor mi’j luusteren heur.”

De schrijver deelt ook persoonlijke gebeurtenissen. Zoals het overlijden van zijn moeder, een reis naar een museum of de poes die doodging. ,,Nao et verhael over de poes, kreeg ik een protte berichies van meensken. Ja, et is bliekber herkenber wat a’k schrieve.”
Over poezen gesproken, Marja – vernoemd naar een figuur uit één van zijn romans – meldt zich luid miauwend in de hal. De zwart-witte poes is van de buren, maar overdag laat Veenstra haar in huis. ,,Ja, ik komme d’r an en dan kriej’ een snoepien.” De twee vorige poezen van de buren kwamen ook bij hem. Ze zijn allebei niet oud geworden. De laatste moest een spuitje hebben. Zo verdrietig. ,,Dan bin ik hielemaole van slag.” Hij wijst naar foto’s waar een aantal rode poezen op staan. ,,Et is vreselik, ik misse ze altied nog.’’

’s Zomers trekt Veenstra er graag op uit. Op de elektrische fiets toert hij door de provincie. Onderweg kijkt hij goed om zich heen en doet zo inspiratie op. En, moet hij bekennen, hij luistert anderen af. Bijvoorbeeld tijdens een pauze op terrasjes. Dan doet hij alsof hij achteloos de omgeving scant, maar ondertussen spitst die sympathieke oudere uitziende heer met zijn grijze krullen de oren en hoort hij naar wat ze aan de naburige tafeltjes zeggen. Hij moet om dat beeld van zichzelf lachen. ,,Ja, meerstal kan ’k wel wat mit die infermaosie.”

Grote gniezerd

Veenstra gaat doorgaans alleen op pad, maar een paar keer per jaar spreekt hij af met goede vriend en schrijver Douwe Kootstra. Vorig jaar bezochten ze nog samen schrijver Durk van der Ploeg. Die is inmiddels 90 jaar. Vol verwondering: ,,Die is nog hiel fit. En blift mar schrieven.”

Dat wil Veenstra liefst ook. Vitaal oud worden. Sterker nog, hij wil niet dood. De Grote Gniezerd, zoals Veenstra de Dood noemt, mag wel aan zijn deur voorbij gaan. ,,Ik bin bange om dood te gaon”, bekent hij. ,,Et is ok zo zinloos. Een verspilling van alles, van de kennis, van de liefde. Waor hej’ et dan allemaole veur daon?” Zeker, hij is blij om oud te worden, maar ziet ook nadelen: ,,De tied die je nog toemeten is, wodt de hieltied kotter en d’r bin almar meer meensken om je henne die wegvalen.”

Maar, als hij er niet meer is, dan leeft de schrijver toch voort in zijn werk? Veenstra kijkt uit het raam en zwijgt even. ,,Wie lest je wark laeter nog? Ik schrieve in een tael die vermoedelik uutstarft. Een tael die meensken niet an de kiender deurgeven. Waor overheden vusen te weinig geld veur over hebben.” En over 100 jaar, dan zijn de Stellingwerven er misschien wel niet meer, filosofeert Veenstra verder. Hij maakt zich zorgen over de klimaatverandering. ,,Tegen die tied zal et hier lichtkaans wel onder waeter staon.” Nee, geen illusies over later. Niemand zal nog weten wie Johan Veenstra is, mensen zijn druk met overleven.

Daar gaat de deurbel weer. Een buurtbewoonster met een bosje bloemen. ,,Now, prachtig”, bedankt Veenstra de vrouw. Hij zet ze snel in het water en gaat weer zitten in de leunstoel. Maar Marja aast op die plek en is achter hem gekropen. Een teken dat haar gastheer zich moet verplaatsen. En die laat zich door het brutale beest nog wegjagen ook. ,,Och, now ja, zo gaot dat hier. Dat is zien plak. Mar zoe’n dier is hiel gezellig.”

Zoektocht naar zichzelf

Het oeuvre van Veenstra is omvangrijk. Naast columns schrijft hij ook boeken en dichtbundels. Er staan 27 boeken op zijn naam, waarvan één autobiografisch. Een brogge van glas verscheen in 2006, tien jaar na het overlijden van zijn moeder. Hij wilde haar niet kwetsen. Maar het was een boek dat hij moest schrijven. Hij vertelt over zijn geaardheid, het verdriet om een vader die hij nooit heeft gekend en de zoektocht naar zijn halfbroer van wie hij jarenlang het bestaan niet wist. Eigenlijk was het boek een zoektocht naar zichzelf. ,,Schrieven over mien verleden, wie ik bin, hoe ik grootbrocht bin en opgruuid, warkte bevri’jdend veur mi’j. Ik bin bliede da’k dat daon hebbe.”

Binnenkort komt boek nummer 28 uit: It liek in de Lende . De eerste thriller in de Stellingwerver taal. Over een dode vrouw die naakt op een strandje aan de Lende wordt aangetroffen door een politieman met wie ze een kortstondige affaire in het Van der Valkhotel in Wolvega had. Hij besluit zelf op onderzoek uit te gaan naar de dader. Het is niet zo verwonderlijk dat Veenstra zich aan een thriller waagt. ,,Ik bin gek op Skandinavische en Britse detektives.” Hij houdt een boek van schrijver Henning Mankell omhoog. ,,Veural van Wallander. Prachtig.”

De pen neerleggen? Geen denken aan. Zijn streven is in ieder geval om nog twee boeken te schrijven. De pen neerleggen? Geen denken aan. Zijn streven is in ieder geval om nog twee boeken te schrijven. , ,Dan he’k de dattig volmaekt, een mooi rond getal,” vindt hij. Dat worden waarschijnlijk verhalenbundels. ,,Romans schrieven is een protte wark, ik wete niet a’k dat nog wel weer doen gao.’’

Meteoriet

Veenstra schrijft al zijn werk uit op papier. Na ieder hoofdstuk, corrigeert hij de teksten met rode pen. Verbeteringen schrijft hij op de daarvoor in de ringband vrijgehouden linkerpagina. Pas daarna tikt hij een hoofdstuk of verhaal uit op de computer. ,,Een boel wark? Och, ik bin niet aanders wend.” In de kofferbak van zijn auto bewaart hij altijd de originele teksten, voordat die naar het archief van de Stellingwarver Schrieversronte gaan. ,,Stel, dat d’r een meteoriet op mien huus daeleploft, dan is die pepiereboel d’r nog.”

Tijd om te gaan. ,,Ondaanks korona was et best wel een biezundere verjaordag’’, zegt Veenstra in de deuropening bij het afscheid van fotograaf en verslaggever. ,,Ie nammen een taart mit, ik bin op petret kommen, d’r is veur me zongen en ik kreeg bloemen. Dat was aanders nooit gebeurd.” Even later staat de jarige schrijver voor het raam om zijn gasten uit te zwaaien.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur
Interview