Jaap Krol noemt zich Wederopbouwjager des Vaderlands en bewondert de excellente alledaagsheid van een rijtjeshuis

Naoorlogse wijken zijn geregeld negatief in het nieuws, omdat de huizen van matige kwaliteit zijn, of omdat de jeugd zich er verveelt. Er is ook een ander verhaal, stelt Jaap Krol in zijn boek Wederzien.

Leeuwarden, Cornelis Trooststraat.

Leeuwarden, Cornelis Trooststraat. Foto: Jaap Krol

Schrijver en columnist Jaap Krol startte in 2013 voor tijdschrift Noorderbreedte een serie over gebouwen in Drenthe, Friesland en Groningen die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgericht – van bushokje tot doorzonwoning, van garagebox tot kerkgebouw.

Zijn werkwijze was overzichtelijk. Hij ging de deur uit, keek om zich heen, selecteerde, noteerde en fotografeerde. In Veendam, in Stadskanaal, in Drachten, in Leeuwarden, in Emmen, in Assen – de lijst met plaatsen is langer. Weer thuis, in de stad Groningen, volgde enige research en promoveerde hij ‘op het oog onbeduidende bouwwerken’ al schrijvend tot ‘dragers van geschiedenis en herinneringen’.

Herkenbare beelden voor een breed publiek

Nu is er een boek: Wederzien. Wederopbouw in Noord-Nederland. Vijftig standpunten tegen het voorbijgaan . De uitgave doet denken aan Treurtrips van Mark van Wonderen, in deze krant besproken begin 2020. Ging dat fotoboek over de rafelranden van onze aangeharkte samenleving, over verval en mislukking, bij Krol is het tegenovergestelde het geval, gaat het om kansen en mogelijkheden. De overeenkomsten zitten in de teksten, die tussen ernst en luim laveren, en in het voor een breed publiek herkenbare beeld.

Zoals van een woonwerk-gebouw aan de Kerkstraat in Hoogezand, een plaats die door Krol wordt omschreven als ‘industrieel park waarin heel Nederland samenkomt en waartussen ook nog wordt gewoond’. Maar ook een leeg bassin in een plantsoen aan de Begoniastraat in Hoogeveen ter nagedachtenis aan alle verbouwde of gesloopte zwembaden. En een elektriciteitshuisje aan de K.J. Visserstraat in Heerenveen, dat een monumentenstatus zou verdienen.

Officiële Wederopbouwjager des Vaderlands (WdV) met als specialiteit niet opvallen

De foto’s in Wederzien hebben iets ambivalents: lullig en tegelijk aandoenlijk. Daar zou alles mee gezegd kunnen zijn, ware het niet dat Krol ambities tentoonspreid. Meest opvallende is dat hij zichzelf opvoert als ‘officiële Wederopbouwjager des Vaderlands (WdV) met als specialiteit ‘ niet opvallen’ en werkveld Noord-Nederland. Die titel zou hij in 2015 hebben ontvangen tijdens een ‘belangrijk congres met vooraanstaande bouw- en geschiedexperts.’

Citaat uit het inleidende essay: ‘Ik heb ruim vier jaar in menig stadswijk gefietst, jaren waarin de sloop of renovatie als een sneltrein ging. Nu is dat vaak maar goed ook, maar voor het samenstellen van dit boek had het ook wel iets langzamer gekund. Ik heb naast een geboortekaartje ook een Burgerservicenummer, een telefoonnummer en een app– en mailadres. Sloopverantwoordelijken hadden mij zo kunnen bereiken voor overleg, inspraak en advies.’

Is Jaap Krol een grappenmaker?

Er werd na de oorlog veel en snel gebouwd

Anders dan wordt gesuggereerd, bestaat in Nederland serieuze en officiële aandacht voor wederopbouwarchitectuur. Het is waar dat gebouwen lange tijd alleen door de overheid werden beschermd als ze ouder waren dan vijftig jaar, maar sinds de vaststelling van de Erfgoedwet in 2015 doet die halve eeuw er niet meer toe.

Volgens de Rijksdienst het Cultureel Erfgoed (RCE) zijn tussen 1940 en 1965 zo’n 2,5 miljoen bouwwerken in Nederland neergezet, dit ter vervanging van beschadigde gebouwen en om onderdak te bieden aan de explosieve groei van de bevolking. Er werd na de oorlog veel en snel gebouwd, en volgens nieuwe inzichten, met veel beton, kunststeen en prefab elementen.

Veel wederopbouwarchitectuur is afgeschreven

Anno 2020 zijn veel van die gebouwen vaak economisch afgeschreven, technisch en fysiek verouderd en aan modernisering toe. ,,Aanpassingen en hergebruik zijn meestal goed mogelijk, maar toch wordt nog regelmatig besloten tot sloop en vervangende nieuwbouw”, aldus de Rijksdienst.

Vooruitlopend op de Erfgoedwet zijn in 2013 twee lijsten opgesteld met gebouwen die extra bescherming verdienen. De eerste heeft betrekking op panden gebouwd tussen 1945 en 1958. De tweede gaat over panden gebouwd tussen 1959 en 1965. In beide gevallen gaat het volgens de RCE om ‘excellente bouwwerken in de ontwikkeling van de architectuur’.

‘De wederopbouw eindigde 13 januari 1970 om 23:13’

Krol benadert zijn onderwerp strikt persoonlijk. Hij stelt dat de wederopbouw is afgelopen met zijn geboorte op dinsdag 13 januari 1970 om 23:13. Minstens zo precies is hij over het moment waarop zijn fascinatie voor wederopbouwarchitectuur is begonnen: 15 november 1978, een woensdagmiddag waarop er een muis door zijn huis in Beetsterzwaag liep, terwijl hij naar het televisieprogramma Dieren van het groene woud keek.

Met de entree van die muis, zo lezen we, ontstond bij de 8-jarige Jaap het besef dat er een vroeger was en een nu is. Dat er een tijd is geweest waarop muizen ongehinderd woningen in en uit konden lopen en dat dergelijke gebeurtenissen zich op een bepaald moment niet of nauwelijks meer konden voordoen. Krol verbindt deze verandering aan de verbetering van woningen tijdens de wederopbouw.

Ongedierte bestond niet meer

‘U moet zich goed voorstellen wat dat betekende voor een jongen uit de veilige nieuwbouw, die niks meemaakte en daarom alles bedacht’, schrijft Krol. ‘In mijn fantasieën vocht ik wereldoorlogen uit en won ik de Tour de France steeds opnieuw, maar nu werd ik betrokken bij het echte leven. Ongedierte had dezelfde bijklank als vlektyfus, malaria of hoofdluis: die hadden we achter ons gelaten en bestonden niet meer.’

Daarop maakt Krol een sprong. Hij schuift de grappenmaker terzijde om wederopbouwgebouwen zoals de twee-onder-een-kapwoning in Beetsterzwaag uit zijn kindertijd te verheffen tot bastions van veiligheid, optimisme en potentie. De muis die tijdens Dieren van het groene woud de woning in Beetsterzwaag binnendrong was een indringer die de orde verstoorde. Tot dan woonde Krol blijkbaar afgeschermd.

Het alledaagse, het overzichtelijke en de inwisselbaarheid

Wederzien gaat over verlangen naar toen. Het boek van Krol moet bekeken en gelezen worden als pleidooi voor meer waardering voor zowel het schijnbaar alledaagse, het overzichtelijke als de inwisselbaarheid. Krol stelt daartoe, om te beginnen, onze neiging ter discussie stadjes mooi te vinden waarin de zeventiende eeuw wordt gekoesterd en een rijke geschiedenis wordt gedemonstreerd. Ook plaatst hij vraagtekens bij nostalgische attracties als museumdorp Orvelte, buitenmuseum De Spitkeet in Harkema en Museum Het Hoge Land in Warffum.

Die ontkennen volgens Krol de verbeteringen in de jaren veertig, vijftig en zestig, toen mensen tijdens de industrialisatie hun kippenhokken, plaggenhutten en andere tochtige en vochtige woningen konden verruilen voor een huis met een aparte keuken, aansluiting op het riool, meerdere slaapkamers en een tuintje. ‘Als je de eerste helft van je leven vooral in de turfwinning of gemengde landbouw hebt moeten werken, moet zoiets wel een godsgeschenk zijn’, concludeert Krol.

‘Wérkelijk mooi – dus: in het echt – zijn de onopvallende, anonieme gebouwen die u geregeld in het voorbijgaan opmerkt en daarna weer vergeet’, besluit de officiële Wederopbouwjager des Vaderlands zijn essay. ‘Voor dat vergeten wil ik ze een beetje behoeden. Nederland is erg mooi. Nederland is ook lelijk, maar goed lelijk is ook mooi. Er zijn bewijzen genoeg.’

#

Titel: Wederzien
Tekst en foto’s: Jaap Krol
Uitgever: Wijdemeer.
Prijs: 19,58 euro.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur