‘Spelletjes' doen bij test tweetaligheid

‘Spelletjes' doen bij

‘Spelletjes' doen bij

In een kamertje van de Bonifatiusschool in Woudsend denkt de zesjarige Eduard de Jong diep na. In een map moet hij aanwijzen welke plaatjes in een serie van vier of meer missen. Daarna moet hij een plaatje onthouden om dat even later tussen andere pictogrammen aan te wijzen.

Eduard is een van de 120 leerlingen van vijftien scholen in Friesland die meedoen aan het onderzoek. Niet dat hij zich dat bewust is. Voor Eduard is het gewoon een spelletje. Zo brengt Bosma het ook. De vijf- en zesjarigen zijn dan ook allemaal enthousiast om naar ‘juf' Evelyn te gaan. De afgestudeerde in taalwetenschappen en Spaans is twee keer een uur met de leerlingen bezig. De ene week een uur in het Nederlands, de andere week een uur in het Fries.

Betere concentratie

Uit ander onderzoek is al vast komen te staan dat tweetaligen zich beter kunnen concentreren en een beter werkgeheugen hebben. Aan de onderzoekster de taak om uit te zoeken hoe tweetalig je daarvoor eigenlijk moet zijn. Is het voldoende als je een tweede taal alleen passief beheerst, is het effect er ook als de tweede taal niet je thuistaal is en hoe zit dat bij andere talen, zoals Turks en Marokkaans?

Dat laatste hoeft Bosma niet zelf uit te zoeken. Collega's in Utrecht voeren een soortgelijk onderzoek uit onder een groep die eentalig is en bij inwoners die zowel Nederlands als Turks of Marokkaans beheersen. Ook is er hulp bij het interviewen van de ouders, die allemaal om toestemming is gevraagd. Van elk kind moet tenslotte duidelijk zijn wat de taalachtergrond is. Eduard vertelt thuis Fries te spreken maar met zijn vriendjes Nederlands. Daar is niks moeilijks aan, vindt hij.

De Bonifatiusschool doet mee omdat directeur Marytsje Flapper het belangrijk vindt om met taal bezig te zijn. En om leerlingen en hun ouders bewust te maken van tweetaligheid. ,,Wa wit libbet it sa, dat wy hjir yn Wâldsein wat kinne mei in trijetalige skoalle.'' Aan het onderzoek doen verder veel basisscholen in Littenseradiel mee en scholen in Akkrum, Deinum en Nij Beets.

Korte gesprekken

Het grote aandeel van Littenseradiel heeft ook te maken met de achtergrond van Evelyn Bosma. Geboren in Rotterdam kwam ze als vijfjarige in Mantgum wonen, waar ze het Fries leerde maar amper gebruikte. Nu spreekt ze het vloeiend.

Het promotieonderzoek mag tot 2017 duren. Dat is ook wel nodig als je van 120 kinderen en hun ouders alle gesprekken en resultaten uit moet werken en dit over een jaar moet herhalen. Met de kinderen houdt de onderzoekster ook korte gesprekken. Ze vertelt aan de hand van een aantal plaatjes een verhaal, laat dan andere plaatjes zien, waarbij de kinderen zelf een verhaal moeten verzinnen. Die teksten moeten allemaal verwerkt worden, zowel in het Fries als in het Nederlands.

Bosma doet bewust de meer vervelende of saaie testjes eerst en laat de kinderen dan achter de laptop, waar ze driftig op de knoppen drukken. De meest verrassende antwoorden krijgt ze. Bijvoorbeeld op de vraag wat ze later willen worden. ,,Spion, sei ien, dan kin ik mysels ferstopje. Rockstjer, sei in oar en doe't ik frege wat je dan dogge: sjonge en hantekenings útdiele.''

Je kunt deze onderwerpen volgen
Archief